Zij hebben het geweten
De intellectuelen
Ha Chaja,
Onlangs interviewden Bart Nijman en ik voor Radio Blauwe Hap de Nederlandse, uit Perzië afkomstige Keyvan Shahbazi naar aanleiding van de gebeurtenissen in Iran. Beluister dat interview en je bent goed geïnformeerd.
Keyvan had ik al eens eerder gesproken en toen kwamen we te spreken over de filosofen Sartre en Foucault en de schrijver Jean Genet.
In mijn studententijd was ik een bewonderaar van Sartre en Genet en in mindere mate van Foucault. (Eigenlijk ben ik nog steeds een liefhebber van Sartre en Genet. Zeker niet van Foucault.) Ik geloof niet dat Keyvan mijn vroegere liefde voor Sartre en Genet begreep, maar we vonden elkaar in een zekere afkeer van Foucault. Hoe Keyvan dacht, las ik het duidelijkst in zijn schitterende boek “De prijs van de vrijheid” (2025).
Hij schrijft:
“Michel Foucault, filosoof en idool van de huidige wokebeweging (en recentelijk ontmaskerd pedoseksueel roofdier van Algerijnse kinderen), prees op 6 oktober 1978 in de krant de ‘spirituele politiek’ van Khomeini. Want die was een ‘grote verbetering’ ten opzichte van de ‘verwoestingen van het Westen’. Na de revolutie, toen de islamitische galg op de stadspleinen overuren draaide, ging hij samen met Jean-Paul Sartre en de dichter Jean Genet zelfs op audiëntie naar Teheran.”
Van Genet wist ik dat hij een grote voorliefde had voor zeer jonge Arabische jongens; van Sartre wist ik dat hij de Palestijnse zaak een warm hart toedroeg. Aan het eind van zijn leven liet Sartre zich interviewen door Benny Lévi, die toen afscheid nam van zijn maoïsme, en werd Sartres atheïsme door Lévi minder strikt geïnterpreteerd. Er werd zelfs gesuggereerd dat Sartre zich zeer verwant voelde met het jodendom. Dat werd later door Simone de Beauvoir ontkend. Feit is dat Sartre en De Beauvoir zich toen al veelvuldig hadden uitgesproken tegen het fundamentalisme van de Islamitische Revolutie.
Van Foucault weet ik weinig. Net als Sartre herzag hij voortdurend zijn opinies. Dat vond — en vind — ik eigenlijk sterk, maar destijds werd dat gezien als hypocriet. Het is waar: anno 2026 is het moeilijk te zien hoe Sartre en Foucault werkelijk dachten. Ze jongleerden met hun eigen moraal. Ooit volgde ik, in de jaren zeventig in Londen, een lezing over Sartre waarin een filosoof wiens naam ik ben vergeten (Blackham of zo) vertelde dat hij Franse filosofen moeilijk “denkers” kon noemen, omdat ze elke dag iets anders dachten. Hun ethiek betekende volgens hem niet zoveel: ze volgden de mode. Dat vond ik destijds onaardig en Brits arrogant. (Ik geloof dat ze Franse filosofen haatten.) Later zag ik in dat hij gelijk had, en wéér later moest ik toch echt tot de conclusie komen dat ik het wisselen van ethiek in feite wel een goede eigenschap vond. Je wordt zogezegd wijzer en krijgt andere gedachten. Je wint en verliest idealen. Een fascist wordt op een gegeven moment katholiek of communist. Een communist bekeert zich tot de islam. Het kan allemaal. Goed en kwaad zijn Kaïn en Abel in wisselende samenstelling, als je begrijpt wat ik bedoel.
Hoe komt het toch dat intellectuelen vaak warm lopen voor het “verkeerde standpunt?” vraag je. Dat komt omdat uiteindelijk elk standpunt op enig moment in de geschiedenis het juiste standpunt is en op een ander moment het verkeerde. “Ik ben fascist” was tijdens de Tweede Wereldoorlog voor sommigen het juiste standpunt. Het was vooral bij studenten in Duitsland populair, want die waren nogal onder de indruk van het sociaaldarwinisme. Het communisme was eind jaren zestig en zeventig populair in Amsterdam. Het maoïsme ook trouwens. Dat Mao verantwoordelijk was voor zo’n tachtig miljoen doden ontkenden we gewoon. Wat hebben we al niet voor mooie opinies en filosofieën gehad? Het existentialisme, het conservatisme en alles wat daartussen zit. Ooit waren ze populair, ooit worden ze het, of worden ze het weer. Daarom kan een intellectueel beweren wat hij wil. Zelfs na zijn dood zal men zeggen: “Hij zag het al” of: “Hij zat er totaal naast”. En na verloop van tijd wordt hij weer zogenaamd “ontdekt”. Marx, Sartre en Foucault zijn weer populair.
Net als Freud en Jung. En al die andere filosofen die ik af en toe noem in mijn roman De trip van Ferdinand Hania, die in februari verschijnt.
De sterke meningen van tegenwoordig hebben daarom weinig zin als ze niet leuk zijn geschreven. Een goede stijl blijft overeind; een goede opvatting wordt een slechte.
Nog even over Genet. Van de grote auteurs die ik hier heb genoemd bewonder ik hem het meest. Ik stuur je hier een artikel dat ik over hem in De Groene heb geschreven en dat mooi op het bovenstaande aansluit. Het aardige is dat het een Gesamtkunstwerk van Sartre en Genet betreft, maar met een slechte afloop. De analyse van Sartre vind ik trouwens nog steeds briljant. Lees zelf maar.
Voor De Groene Amsterdammer schreef ik dit stuk:
Wat is een gevaarlijk boek?
Dat is een geschrift dat kan vernietigen.
Drie klassieke voorbeelden: Die Leiden des jungen Werthers van Johann Wolfgang von Goethe uit 1774, waarna — zo zegt men — een zelfmoordgolf ontstond; Geschlecht und Charakter van Otto Weininger uit 1903, waarna de auteur zichzelf het leven benam in het huis van Beethoven; en verder vrijwel alle heilige boeken.
Maar er is een kwaadaardig boek dat tot mijn lievelingsgeschriften behoort, al is het deels onleesbaar: De heilige Genet – martelaar en komediant van Jean-Paul Sartre uit 1962.
Het is een biografie, roman, filosofisch werk, autobiografie en therapeutische analyse over de boef, souteneur, hoerenjongen, homoseksueel, oplichter, verleider, dichter, toneelschrijver en romancier Jean Genet, geschreven door de existentialist Jean-Paul Sartre.
Waarom wilde Sartre dit boek schrijven? Wat stond hem voor ogen? Genet had hem gevraagd een voorwoord te schrijven bij diens “Dagboek van een dief” uit 1949. Dat wilde Sartre wel.
De mannen mochten elkaar. Ze zagen elkaar regelmatig in La Coupole en café Flore. Sartre was in die jaren een intellectuele grootheid in Parijs, en dat gold in zekere zin ook voor Genet, wiens artistieke persoonlijkheid, kunde en intelligentie door iedereen meteen werden opgemerkt. Sartre herkende in Genet ongetwijfeld overmatig veel van zichzelf, hoewel hij dat nergens zegt.
Sartre begint Genet te bestuderen. Hij wil een ‘existentiële psychoanalyse’ op Genet toepassen, een concept dat hij in “L’Être et le Néant” al had uitgewerkt en dat neerkomt op een combinatie van psychiatrie, psychologie, marxisme en filosofie. Sartre had dat al geprobeerd met Baudelaire, maar was er toen niet helemaal uitgekomen. Met Jean Genet was het anders: die leefde nog.
Sartre gedroeg zich vervolgens als Genets psychiater, hoewel hij daarvoor geen opleiding had gehad. Hij had zijn studiemaatje Daniel Lagache, gevraagd hoe de psychoanalyse van Freud ongeveer werkte (Lagache zou later hoogleraar psychiatrie aan de Sorbonne worden). De caféstoel werd de bank waarop Genet kwam te liggen en waarachter Sartre, pijprokend, zat te psychiateren. En Genet sprak en sprak. Daar begint eigenlijk al het gevaar…
Sartre ziet in Genet de belichaming van zijn existentialistische gedachte:
“De mens is wat hij is, maar hij is ook niet wat hij is. Hij is wat hij van zichzelf maakt. Hij kiest wat hij wil zijn… Dat bepaalt zijn vrijheid.”
Waarom koos Genet voor het kwaad? Wat was de schoonheid van het immorele? Hoe verhield het kwaad zich tot vrijheid? En wat wilde Genet met zijn poëzie, zijn taal en zijn toneelstukken?
In een van de mooiste hoofdstukken, “Verbrokkelde taal,” schrijft Sartre:
“Hoe kan Genet zich ooit duidelijk maken, als de woorden die hij gebruikt slechts schimmen blijken te zijn? Omdat de dingen waarop de woorden slaan hem allemaal zonder onderscheid zijn ontzegd, doet het er niets meer toe of het mythe of realiteit betreft. Omdat de wereld hem is ontnomen, omdat alles even onbereikbaar voor hem is als een sprookjeswereld, maakt het nauwelijks meer iets uit of hij de bajes een gevangenis noemt of een paleis. (…) Onze woorden keren hem de rug toe, verwijzen naar afwezigheden (…). De woorden zitten in hem als vreemde lichamen.”
Het credo van het werk — de sleutel waarmee je als het ware Jean Genet kunt openen en die Sartre ook vele malen herhaalt — is:
“De verliezer wint.”
Sartre schrijft als een bezetene. Het wordt een megalomaan project. Het voorwoord beslaat 600 (!) pagina’s en moet een afzonderlijk boek worden. Uitgever Gallimard zit met de handen in het haar. Ze halen er grote stukken uit.
Genet is aanvankelijk verrukt. Eindelijk iemand die hem begrijpt. Maar Sartre is ook iemand die hem doorheeft.
Misschien beseft Sartre eerder dan Genet wat hij heeft aangericht:
“Mijn verhaal is bedoeld als inleiding tot zijn werk: is het effect ervan niet eerder negatief?”
En even later:
“(…) pleeg ik verraad ten aanzien van Genet zelf?”
Genet leest en herleest Sartres analyse. Is hem zijn leven afgepakt? Het voorlaatste hoofdstuk heet “Perspectieven” en daarin geeft Sartre Genet… de doodklap. Sartre voelt dat hij Genet kapotgeschreven heeft. Het leest dan ook als een lijkrede.
En Genet kan hierna inderdaad geen literatuur meer maken. Bij elke zin en elke regel die hij schrijft weet hij zich geen martelaar of komediant meer.
De dief, de pooier, de souteneur wordt een goed mens. Hij kan niet meer terug. Hij raakt zeer geëngageerd, vereenzelvigt zich met de Palestijnse zaak en steunt de PLO, Angela Davis en de RAF.
Hij verhuist naar Marokko. Weg van Sartre.
Als hij even terug is in Parijs, sterft hij in 1986 alleen in een hotelkamer.
Dag Chaja, Liefs,
Theodor
Bonus: Twee korte verhalen
1.
Euthanasie
“Wat ik je kwalijk neem… nam,” zei Maria, “is dat Peter en jij maar bleven praten over euthanasie, en…’’
“Maria, het is tien jaar geleden, en…’’
“Het is de reden dat ik je tien jaar lang niet wilde zien.’’
“Waarom dan nu wel?’’
Maria keek hem aan.
“Ik heb altijd het idee gehad dat jij hem hebt aangezet tot zelfmoord.’’
“Zelfmoord?’’ Maria keek hem strak aan en zei: “‘Ik heb met Kees gepraat,’ zei Peter als jij op bezoek geweest was, ‘en hij vindt ook dat ik… nou ja, gewoon euthanasie…’’’
“Dat klopt, we spraken er veel over.’’
“Maar dat wilde ik niet. Dat wist je.’’ Maria keek nu van hem weg.
“Die indruk wekte je niet, ik wist het niet… Je was op het laatst… Je was erbij toch…Je…’’
“Ja… Ik weet ook dat jij en ik… Ik vond je wel aardig, maar… nou ja, ik wilde je niet zien, ik vond dat je Peter had aangezet tot zelfmoord. Peter deed alles wat jij zei. Maar nu…’’
Ze stopte met praten en hield even een rust en zei toen: “En nu ben ik aan de beurt.’’
“Wat bedoel je?’’
En toen zag hij het. Bleek, hologig, weinig haar en hij dacht eerst dat het met ouderdom had te maken.
“Verdomme,’’ zei hij.
“Ik geloofde toen Peter stierf nog in God. Daarom vond ik jullie gesprekken niet prettig. Maar tegenwoordig… En weet je wat raar is, Kees?’’
“Nee…’’
“Ik heb elke dag met God gesproken. Al sinds ik besta, geloof ik. Maar opeens was het afgelopen. Ik was in het Anthoni van Leeuwen en dacht: waarom heb ik zo weinig aan je? Peter had Kees, dacht ik… En toen belde ik jou.’’
“Om over euthanasie te praten?’’
“Nee, om te zeggen dat ik… Ik denk dat je er goed aan hebt gedaan destijds. Ik weet niet of ik euthanasie ga doen… Ik denk dat ik meer het type ben dat tot op het laatst blijft hopen op een wonder. Al geloof ik niet meer in God, ik geloof nog wel in wonderen.’’
“Zijn er veel wonderen in je leven geweest?’’
“Peter was een wonder, al duurde het niet lang. Maar toch… Ik wilde hem ook niet verliezen… Ik zag je als de duivel. En dat spijt me. Hij is vredig gestorven. Zonder angst. Daar heb jij aan bijgedragen.’’
“Zijn er mensen die voor je…”
“Ja, ik heb vriendinnen.’’
“Geen liefde meer?’’
“Nee, geen liefde… Ik ben zelfs meer van Peter gaan houden nadat hij gestorven was. Ik wilde na hem niemand toelaten. Peter was niet alleen gestorven, de liefde lag voor mij ook in het graf. Vond ik niet erg. Alleen ongemakkelijk.’’
“Ik ben blij dat we weer contact hebben.’’
“Het zat me hoog dat ik je van … van moord… zelfmoord dus had beschuldigd. Sorry…’’
Ze stond op en verliet het café nadat ze elkaar hadden omarmd en hij haar had gekust.
oxoxo
2.
Frank en Bente
Bente keek hem aan en zei: “Ach… ik heb die advertentie… Nou ja, het doet er niet toe. Ik dacht… hij heeft nu ook zijn zorgen…”
“Dacht je dat ik verder geen zorgen had?” Frank zei het lachend.
“Je ging zorgeloos door het leven… en destijds… gingen wij… of laat ik het zo zeggen: het was even een leuke tijd.”
“Waar jij een einde aan maakte.”
“Ja,” zei ze. “Die naam… die ik dus onlangs in die advertentie zag staan… Ik bedoel… die zat mij toen al dwars… Ga je dat na twintig jaar ontkennen, dat zij en jij…”
Frank begreep dat hij beter zijn mond kon houden.
“Hoe lang was ze ziek?” vroeg Bente.
“Een klein jaar.”
“Je hoort dat ziekte… in sommige gevallen… bij sommigen… een soort verdieping geeft.”
Frank haalde zijn schouders op.
“Verdieping?” Zijn herhaling klonk alsof hij daar niets van begreep.
“Je weet wel… dat je door ellende dichter tot elkaar komt.”
“O, dat… ja… nou ja… Ja, zorg… Zorg is…” En toen zei hij: “Ik had misschien meer en beter voor haar moeten zorgen. Meer en beter.”
Nu herhaalde zij zijn woorden: “Meer en beter…”
“Ik heb wel voor haar gezorgd… Maar toen ze ziek was.”
“Tja…”
“Ik moest wel… ik wilde het natuurlijk ook… zij was…”
“Ziek!” zei Bente.
“Ja, ze was ziek…”
“En weerloos!”
“Ja,” zei hij.
“En daar vloog de zorgeloosheid uit het raam.”
Weer haalde Frank zijn schouders op.
“Ik begrijp dat ik je toen gekwetst heb, maar ik ben gestraft…”
“Gestraft?” Bente spuugde het woord uit.
“Hoezo ben jij gestraft, Frank? Omdat je vrouwtje ziek was en stierf? Was dat een straf voor wat je mij hebt aangedaan?”
“Nee, zo bedoel ik het niet, ik…”
“Hoe bedoelde je het dan?”
Bente pakte haar tas.
“Ga nou niet weg, Bente.”
“Ik dacht opeens: wat hebben we elkaar nog te zeggen? Waarom wilde jij mij en ik jou eigenlijk zien?”
“Je zei ja op mijn uitnodiging.”
Bente knikte, omdat ze niet goed wist wat ze moest antwoorden.
“Ik zei… ja… ja, omdat ik… die advertentie… ik… Ik zal je maar zeggen wat ik dacht: ik dacht, ik heb medelijden met Frank. Ik heb medelijden met hem… Dus toen je me een mail stuurde, dacht ik… Godverdomme, Frank! Dan ga je me zeggen dat je gestraft bent! Wat is dat voor gelul! Gestraft omdat je je tegenover mij als een hond hebt gedragen? Wat heeft je vrouw dan gedaan dat zij de doodstraf heeft gekregen?”
“Ik wilde onze tijd terug, Bente.”
“Vraag me dan eens hoe het met mij gaat, Frank! Begin daar eens mee!”
De column van Koos
Dames en heren
Een kleine anecdote: Ik was eens op een borrel bij uitgeverij De Arbeiderspers. Ik weet niet meer wanneer dat was. Opeens kwam de interviewer schuine streep columnist schuine streep- radiomaker en televisiepresentator Ischa Meijer op ons af. Hij zei: “Hallo ja, mag ik even aandacht?’’ “Waarom wil jij aandacht, Ischa?’’ vroeg uitgever Theo Sontrop. “Nou gewoon omdat ik aandacht wil. Ik heb recht op aandacht! Ik wil dat jullie over mij praten.’’ Ik moest daar om lachen. Maar, dames en heren: ik wil nu ook aandacht. Ik wil dat u op z’n minst reageert op mijn stukken of me een financiële blijk van waardering geeft. Iets onaardigs schrijven mag ook, als het maar aandacht is. Nadat ik niet meer mag schrijven voor De Krant Waarvan Ik De Naam Niet Noem zijn de inkomsten wat teruggelopen. Maar goed, ik haat bedelen. Mag niet van vader en moeder. Zelfs bedelen om aandacht mag niet. Doe ik toch bij deze.





Filosoof Koos is veel interessanter.
Het is interessant dat zovelen zo een hekel hebben aan Foucault, nu heb ik mij nooit met zijn persoonlijke leven bezig gehouden, maar heb ik ooit het boek Discipline and Punish met veel interesse gelezen.
En ik zou juist denken dat Foucault 'woke' als een volgende stap op die schaal van macht-logica zou beschrijven; waar hij ongeveer stopt in de jaren 70 met correctie via gevangenis en zelfcorrectie via het Panopticon, is woke in mijn ogen een volgende stap in deze post-institutionele disciplinevorm. Hij beschrijft namelijk dat macht niet verdwijnt, maar steeds effectiever wordt naarmate de macht minder zichtbaar is en zich presenteert als morele vooruitgang.
En dat is precies wat woke doet in mijn ogen. Geen formele opsluiting meer of controle, Woke is en zelf opgelegd control mechanisme en corrigeert via taal, moraal en als straf sociale uitsluiting.. Het interessante is dat de macht dus naar de maatschappij van de deugers verschuift, weg van de formele vastgelegde normen van rechters/psychiaters..
Wat ik uit het boek heb gehaald is dat Foucault juist heel kritisch of beter gezegd wantrouwend stond tegenover macht die zichzelf presenteert als vanzelfsprekend goed, of moralistisch.. Macht zoals ik las, is gevaarlijk als die niet meer als macht gezien wordt, maar als deugd waardoor die macht onbetwistbaar wordt.. Dus ik vind het ironisch dat juist hij als woke wordt neergezet..