We vergaan als we niet weggaan.
Maar we vertrekken sowieso
Ha Willem,
Volgens mij heb ik er al duizend keer met jou over gesproken: het verdwijnen van onze taal. Verbood vroeger de kerk onchristelijke denkbeelden (en dus de daarbij behorende taal, bijvoorbeeld: de aarde is rond, God bestaat niet, onaneren is natuurlijk, zelfs als je je hond aftrekt of de hond jou pijpt, homofilie komt in de beste kringen voor, etc., etc.), tegenwoordig probeert men de cultuur te dresseren door steeds meer verbodsbepalingen in te voeren. Je mag geen slaaf zeggen, geen neger, geen meisje… ach, je kent de voorbeelden. Zeg of schrijf je die woorden wel, dan ben je “fout”. Fout betekent hier: je hebt de verkeerde moraal. Je discrimineert zieligerds, of je sluit ze uit, of je kijkt op ze neer, of je weigert ze te zien als echte mensenkinderen… weet ik veel. Ik herinner me dat nog uit mijn marxistische tijd, inmiddels meer dan vijftig jaar geleden. Arbeiders moest je ambachtslieden noemen. Journalisten waren ook ambachtslieden, onderwijzers trouwens ook, en hoogleraren? Die zeker. Iedereen was ambachtsman of -vrouw. Behalve kapitalisten. Als je niet wist wat een kapitalist was, dan hoorde je dat wel aan de manier waarop dat woord werd uitgesproken. Alsof men een harige gifspin in z’n mond had en die uitspoog. Het was aanbevelenswaardig om het bijvoeglijk naamwoord ‘vieze’ bij kapitalisten te gebruiken. “Hee, vieze kapitalist!’’ Marxisten denken altijd dat gelijkheid en gelijkwaardigheid hetzelfde zijn. Dus moesten we allemaal gelijk worden, gelijk aan de allerzwaksten van de samenleving. Wat een misverstand. Ik ben erg voor gelijkwaardigheid, maar bijzonder tegen gelijkheid. En als ik er het talent voor zou hebben, zou ik ook graag een vieze kapitalist zijn. Op de een of andere manier zie ik geld als een mooie vrouw die ik toch niet kan krijgen; ik zie de schoonheid en er is sprake van enig begeren, maar ik ben verder niet geïnteresseerd. Waarom lul ik nu zoveel? O ja, ik weet het weer: onze taal is er vandoor aan het gaan, uit angst het verkeerde uit te drukken. Daarmee verdwijnt een groot deel van onze literatuur. Is dat erg? Weet je wie zich bekommert om het verdwijnen van onze literatuur? Sommige schrijvers, waaronder ik. Laatst las ik in NRC Handelsblad van de dichter des vaderlands — ik kan de naam niet onthouden, wat erg onbeleefd van mij is, excuus — een poëem met veel, heel veel buitenlandse woorden. Waarom? Dat weet ik dus niet. Misschien vond de dichter het Nederlands ontoereikend. Het kan ook zijn dat de dichter wilde uitdrukken dat alle talen even mooi zijn, of dat bepaalde woorden in een andere taal “veelzeggender” zijn dan in het Nederlands. Misschien wilde de dichter zeggen — en dat denk ik dus —: “Zeg maar dag met je handjes tegen die kleine taal van je. Wij gaan haar uitbreiden met woorden en zinnen uit andere talen, waaronder het Arabisch.” Want dat was ik nog vergeten te vertellen: er zaten ook Arabische woorden tussen die in het Arabisch waren geschreven en die ik dus niet kon lezen.Wat ik moest beseffen was: met dit gedicht, met woorden die ik niet kon lezen en niet kon begrijpen, sluiten we jou uit. Het Nederlands zoals jij dat spreekt en schrijft, pakken we van je af; we voegen er onze eigen woorden, taal en tekens aan toe, en als je ons dan wilt volgen, ga jij maar je best doen. Leer onze taal maar. Wij weten wel wat hier staat. En zo zorgt ook de taal voor een kloof. Ik weet niet wat er staat. Ik ken de geschiedenis, de gevoelswaarde van die woorden niet. Zelfs een simpel woord als vrijheid zal hier wat anders betekenen dan elders. De kloof: aan de ene kant de mensen die houden van onze taal, aan de andere kant functionarissen die willen breken met onze taal en grammatica. Maar is dat erg?
Voor mijn geestesoog verschijnt de dichter Willem Wilmink, die een keer in de jaren zeventig tegen mij zei: “Wanneer je echt wil democratiseren, gebruik je eenvoudige woorden, en eenvoudige zinsconstructies. Dan bereik je de meeste mensen. Ook de mensen die niet zoveel opleiding hebben gehad.” Al is de poëzie misschien wel de hoogste vorm van kunst, vaak is die ontoegankelijk omdat de dichter iets met de taal probeert wat (nog) niet hoort; een verrijking slaagt niet altijd, of is pas na verloop van tijd succesvol. Ikzelf hoop dus zo helder mogelijk te schrijven. Maar hoeveel Engels heb ik niet in mijn eigen taalgebruik, hoeveel Frans stop ik niet in mijn zinnen en hoeveel Nederlandse woorden zijn er al niet in de mutsaard (brandstapel of haard) geworpen? Wie zegt er nog “Wat deert u?” of wie gebruikt het werkwoord “volharden” nog? Wie zegt nog “terstond” of “aanstonds”, wie heeft het nog over “lotsbestemming” en wie heeft er nog een “kamenierster”? En zo kan ik wel doorgaan. Allemaal woorden die ik gedurende mijn leven nog heb gebruikt of heb horen gebruiken. (Mijn moeder verzuchtte wel duizend keer: “Ach, had ik maar een kamenierster…”) Er komen nieuwe woorden uit andere talen bij die ik niet ken en er verdwijnen woorden die voor mij nog veelzeggend zijn — en zo raken jij en ik geïsoleerder. Wie weet moet over enkele jaren een Nederlandse onderzoeker deze brieven vertalen in wat dan Helder Nederlands is. Je kent een van mijn grote verdrietelijkheden. Dat is dat de schitterende gedichten van Constantijn Huygens soms moeilijk leesbaar zijn door de vreemd geworden spelling, vocabulaire en zinsbouw. Niet voor mij, maar voor anderen. Ik krijg er maar niet de handen voor op elkaar. Maar wat een meester was dat. Een meester omdat hij over alles, maar ook letterlijk alles dichtte. Elk “ding” was voor hem een onderwerp. Deze vind ik leuk:
HAMER Een kort woord, snell en fel gesproken, heeft meer kracht Dan een lang swaer bericht dat slaep'righ uytgeseght werdt: Een kleinen hamer, snel gedreven, heeft meer macht Dan een swaer Yser dat maer op den Bout geleght werdt.
Maar eerlijk is eerlijk: in zijn gedichten schrijft hij soms ook iets in het Italiaans, in het Grieks, in het Latijn of in het Engels. En heb ik zelf niet eens een gedicht geschreven met Maleise woorden die niemand meer kent? (Kassian, pedis, adoe, senang, toean, manis… dat was het wel.) Alles verdwijnt — wij ook. Je hoopt dat wat je hebt gemaakt op een of andere manier blijft bestaan. Maar die hoop is tevergeefs. Mijn boeken vind je in de straatboekenkast, waar ze last hebben van regen, kou, tocht, zon, wind… Maar helaas niet van lezers. Ach, ik sta naast Nobelprijswinnaars (Pasternak) en iemand als Nabokov. Weet je, Willem: de mens is een wezen dat de pech heeft als mens te zijn geboren. Hond Koosje heeft geen ambitie, maakt zich geen zorgen over de ouderdom of zijn fysiek. Heerlijk. Jij bent toch gelovig? Vraag dan eens aan God waarom Hij ons heeft gemaakt met allerhande kwalen, zowel geestelijk als fysiek.
Ik groet je en zal je volgende keer weer een mooi avontuur verhalen. Ik ben nu in de weer met het schrijven van een korte roman. Maar het kan ook een lange worden.
Groet,
Theodor
Kort verhaal
Misselijk
“Dag broertje,” zei ze. De telefoonverbinding was slecht.
“Wanneer kom je terug?” vroeg hij.
“Hoe is het met je?” antwoordde zij.
“Hoe zou het zijn… Je hebt mama gesproken… Maar met mij gaat het goed hoor.”
Ze liet de bitterheid van die laatste zin van zich afglijden.
“En hoe verloopt je therapie?”
Hij zweeg even, en toen, als een ketsende steen: “De therapeut is dood… Hij was aan het vechten voor jou… als je terugkomt…”
Toen begon ze te huilen.
“Ik wil niets liever dan bij je zijn.” Om die zin hingen haar snikken als een rouwkrans.
Hij hield zich stil.
“Ik wou dat ik kon huilen,” zei hij.
Ze hoorde het wel, maar kon en wilde niet reageren.
“Waarom blijf je daar? Je hoort hier te zijn!”
Ook deze woorden krabden aan de wond. En toen besloot ze het te zeggen: “Ik ben hier verliefd geworden… en ik ben zwanger geraakt… Het komt in februari… en ik wil dat kind hier krijgen. Ik kom wel… maar nu even niet… En ik ga weer terug naar hier.”
Toen hing hij op.
Ze wist dat het gevoel van verraad haar nooit zou verlaten.
Drie minuten later belde haar moeder.
“Waarom heb je het mij niet als eerste verteld!” waren haar eerste woorden.
“Het is een heel aardige man, mam. Een advocaat. Hij verdient goed, en hij wil naar jou en broertje toe. Maar eerst ons kindje.”
“Ik moet naar jou toe, om je te verzorgen.”
“Nee, je moet bij broertje blijven, mama. Hij is ziek.”
Toen werd de verbinding verbroken. Misschien had haar moeder ook zomaar opgehangen. Het bericht van haar zwangerschap was nu bekend. Het luchtte haar niet op.
Het was alsof ze de stad, die ze nog steeds niet echt goed kende, met andere ogen zag. Dit zou de woonplaats worden van haar zoon, want ze wist dat het een jongen zou worden. Ze durfde niet te denken dat het hier beter was dan daar. Haar vriend zei dat hij hier weer kansen zou krijgen, maar meer kansen om wat te doen? Straks moest hij hier ook in dienst. Misschien had haar broer wel gelijk en had vluchten uiteindelijk geen zin.
Ze ging in het parkje op een bankje zitten en hield haar hand op haar buik.
“We zijn samen,” dacht ze.
Ze werd misselijk en probeerde het kotsen tegen te gaan door diep adem te halen.







heerlijk stuk, kwam laatst, in de Statenvertaling het woord "Ulieden" ( zie nu al de kronkelige rode spellingsspaghetti onder dat woord geplaatst worden) tegen en vroeg me af hoe ik dat kon gebruiken en waar. Strooien met archaïsmes en bijna overleden woorden als "taddik", "fielt" en "doerak" is leuk, af en toe. Beter dan die noedels op dat schrijfseltje van Ben Ayad
Mooi!