Hij is de mindere
Doe niet zo immoreel
Beste Maarten,
Nog even een vervolg op mijn vorige brief. Ik zei je door de telefoon al dat ik een “cultureel minderwaardigheidscomplex” heb. Ik schrijf verhalen en gedichten, componeer en teken, ik interview en speel toneel, maar ik voel me altijd de mindere. Volgens mijn zuster heeft dat met onze opvoeding te maken en ook met het feit dat ik Indische wortels heb. Ze zei dat “Indo’s een ingebakken minderwaardigheidscomplex hebben’’ Ik geloof dat niet, maar ik spreek haar niet tegen. Ze is twaalf jaar ouder dan ik. Ik heb trouwens aan waardering niet te klagen. Ik heb prijzen gekregen en ben in bijna alle hoofdsteden van Europa op het toneel geroepen. Maar dan had ik toch weer de pest in, want ik dacht: waarom vragen ze godverdomme in Nederland niet of ik iets wil schrijven? Soms dacht ik - en ik wist dat wel zeker - dat het niet te maken had met mijn talent, maar met mijn eigenzinnige politieke opvattingen. Ik was vriend van Theo van Gogh, werd verdacht van extreemrechtse ideeën en onlangs zei me een dierbare collega dat een kunstwerk dat niet “moreel juist’ is nooit een goed kunstwerk kan zijn. “Nooit een echt goed kunstwerk,’’ voegde hij eraan toe. Moreel juist - we spraken er een uur over met de bekende voorbeelden waaruit het tegendeel bleek: Céline, Reve, Israel de Haan, Genet… je kent ze. Ik vond eigenlijk dat ik de discussie won maar de collega wist het zo te draaien dat hij steeds gelijk had, wat ik dan weer moreel kwaadaardig vond. Ik zeg het nog maar eens: ieder standpunt wordt ooit gewaardeerd en verafschuwd. Dat komt omdat opinies modegevoelig zijn. Elke opinie! Maar ach, wat maakt het uit. Het lost mijn culturele minderwaardigheidscomplex niet op. Ikzelf was laatst aanwezig bij een culturele manifestatie. Een dichteres dichtte iets over “Palestina”. Een andere dichtte over “genocide”. Iemand las een column voor waarin Trump werd afgeschilderd als een “krankzinnige”. En zo ging het maar door. Had ik al gezegd dat een jongen met leuke meisjes achter zich aan spottende opmerkingen maakte over “Wilders” en “Thierry Baudet”? Mijn culturele minderwaardigheidscomplex speelde op, want ik voelde me weer melaats. Vergiste ik me of vond men mij een beetje eng? (Wat ik natuurlijk ook ben.) Natuurlijk, er waren ook aardige lieden, maar dat waren dezelfde soort schlemielen als ik. Morele verhevenheid in kunstproducten levert kitsch op; het immorele vergroot de kans op ware artisticiteit.
Maar of ik voor jou iets kan schrijven weet ik niet. We moeten daar maar eens over praten. We moeten goed bedenken dat we al op leeftijd zijn. Cultuur die enigszins aanslaat is van mensenkinderen tussen de 21 en de 64 en voor mensenkinderen tussen de 19 en 65. Jij en ik kunnen wel iets van kwaliteit laten zien, maar wat heb je daaraan als niemand kwaliteit kan herkennen? En misschien is het geen kwaliteit wat we maken - je kunt er niets over zeggen. Kwaliteit wordt bepaald door een kleine groep en door een grote groep niet gezien. En een grote groep zegt dat iets kwaliteit heeft en een kleine groep weet dat het niet waar is. Begrijp je?
Ik wacht af om een afspraak te maken.
Theodor
Literair verhaal
Desinteresse Hij duwde zijn moeder voort door het park. Ze zwegen. “Koffie?’’ vroeg hij. Z’n moeder knikte, maar zei niet “Ja graag” of zoiets. Een paar minuten later zaten ze op het terras. Zijn moeder wilde niet recht in de zon zitten. “Ik wil de zon op m’n schouders voelen,” was het eerste wat ze zei. Hij haalde twee cappuccino’s, bekeek zijn moeder van een afstand en zag dat ze in de verte staarde. Was ze treurig? Het was geen bijzondere dag, niet de verjaardag van vader of van andere familieleden… “Is er iets, mam?’’ vroeg hij toen hij de kopjes neerzette. Alsof ze wakker werd en licht schrok keek ze hem aan. Ze haalde diep adem, knipperde met haar ogen en zei: “ Ik heb last van het dit-was-het-dan-gevoel.’’ “Hoezo? Hoe voelt dat?’’ “Gewoon… Dit was het dan… Dit was mijn leven… Het begon in een kinderwagen en eindigt in een rolstoel. En wat gebeurde er daartussen…. Dat gevoel.’’ “Wat gebeurde er daartussen? Ik snap je nog niet, mam.’’ Ze ergerde zich. Dat merkte hij doordat ze snel van hem wegkeek alsof hij stonk of te hard praatte. “Ik zal nooit meer goed kunnen staan, laat staan rennen. Ik kan niet meer autorijden naar Frankrijk of Italië. Fietsen gaat al helemaal niet. Papa is dood, onze vrienden zijn grotendeels gestorven, jullie wonen ver weg, de kleinkinderen zie ik nooit… dat begrijp ik… En ik zit thuis voor de tv, of ik strompel met mijn rollator naar de plee, of ik lig in bed… Dit was het dan, weet ik. Snap je?’’ “Maar afgezien van…je heup en je reuma… ben je nog best fit.’’ “Wat heb ik aan mijn fitheid als ik de hele dag voor de televisie zit, wil zitten of moet zitten? Herinner je je tante Ans nog? Die had Alzheimer. Herkende uiteindelijk niemand meer, wist niets meer, alsof één of andere bacterie al haar hersens had opgevreten… Zielig zeiden wij, maar ze lachte de hele dag. De héle dag.’’ “Je klinkt alsof je…’’ “…dood wil? Nee, het is geen wens. Integendeel. Het is eerder de wetenschap dat het onherroepelijke zich aandient. Dat gaat gepaard met een desinteresse in je eigen bestaan en om wat er verder in de wereld gebeurt. Desinteresse is een kwaal waardoor de dood zich welkom voelt. Zo voel ik dat… Ik kijk televisie, ik zie de moorden, ik zie de vallende bommen en ik zap. Ik lees de krant en ik ben aan het einde al vergeten wat ik heb gelezen. Zelfs eten interesseert me niks. Desinteresse, ik haal m’n schouders over alles op…’’ “Je bent best nog helder van geest… Maak weer eens een gedicht of een tekening, mam.’’ “Dat doe ik al twintig jaar niet meer. Die stomme rijmelarij. Tekenen ook niet. Mijn vingers lijden ook aan desinteresse… Het is een vorm van vermoeidheid, denk ik.’’ Ze hield weer haar mond. Er was een spanning ontstaan die hem om de een of andere reden belette te spreken. “Denken… Nadenken…,’’ zei zei opeens, ‘’dat geeft nog wel enig plezier. Je iets herinneren, daarover mijmeren, al het pijnlijke, maar ook al het mooie… Hoe weet je dat alles niet tevergeefs was. Dat weet je natuurlijk niet. Maar daarover nadenken… je gedachten volgen… Met vreugde constateren dat het uiteindelijk allemaal onzin is. Dan glimlach ik weleens.”





Theodor, je bent allerminst eng maar gevaarlijk. En dat is in deze tijden eigenlijk een
officierschap in een niet-bestaande orde. Draag die onderscheiding met trots en mijd - als dat mogelijk is - dierbare collega's met malle opvattingen over de morele juistheid van kunstwerken.
Dan zijn we toch - soppend in ons morele moeras - Hitler en Stalin langzaam maar zeker voorbij?
Of ze in ieder geval aan het inhalen.
Gelukkig zijn er lezers die jou erg waarderen en het lijkt mij fijn dat die groep hedentijds niet zó groot is want de meerderheid is, ondanks dat ze zichzelf moreel heel hoog hebben zitten, niet zo gewild in onze rebelse "rechtse" bubbel. Het doet wel pijn in je portemonnee en niet onbelangrijk ook je misplaatste Indische minderwaardigheidsgevoel. Je schrijft prachtig!