Dokter, ik ben gezond!
Maar niet heus, ouwe gek!
Ik schrijf dit in een ziekenhuis in de provincie, waar ik niet voor mezelf ben. Een familielid zweeft momenteel tussen verschillende werelden. Om me heen mannen en vrouwen met een rollator waaraan allerlei slangen en flessen hangen, en af en toe loopt er een moeder de weg te zoeken met een kinderwagen waarin iets huilerigs zit. Ziekenhuizen zijn kleine dorpen; de mest stinkt hier naar formaline en jodium, maar ik ruik hier tevens angstzweet. Dat kan van mij zijn, trouwens. Ik tob.
De lijdende mens is een pleonasme. Er is altijd iets stuk aan ons, vooral bij mensen die beweren dat ze zo gezond zijn. Naarmate je ouder wordt, val je steeds meer uit elkaar. Je angstzweet vermengt zich allengs met de geur van de dood. Vraag me niet hoe die ruikt. Ik denk aan een stel leuke jonge meiden die jou geweldig vinden en allemaal met je willen trouwen, maar eerst even naakt gaan dansen. Door een toeval heb ik het afgelopen jaar enkele stervende vrienden gesproken over de dood, en achteraf weet ik niet of ik dat mooie, treurige of ronduit nare gesprekken vond. De betrekkelijkheid van het bestaan inzien en daar vrede mee hebben, maakte me nogal zenuwachtig. Ik weet wel dat berusting vanzelf komt, maar nu nog even niet, alstublieft.
Op mijn telefoontje probeer ik de actualiteit in de gaten te houden.
Altijd weer alles langs de morele meetlat leggen als vorm van analyse. Had Trump Maduro mogen ontvoeren? Nee, zegt het internationaal recht. Maar die Maduro is een dictator. Ik vind het fijn dat hij is opgedonderd. De man is slecht. Hij vertolkte het Kwaad. “De wereld zal worden onderverdeeld in drie machtsblokken en dan geldt het recht van de sterkste,” zegt iemand op CNN. Vervolgens komen er allemaal “Schande!”-roepers in beeld. Ja, het is een schande, maar de sterkste wint nu eenmaal altijd. Het zou raar zijn als de zwakste wint, of de middelmatigste.
Wat troost kan bieden, is dat een zwakkeling of een middelmatige in de ogen van een ander de sterkste kan lijken, of een voordeeltje kan opleveren. Zo komen de meeste mannen aan hun vrouw. Die vrouw denkt: “Wat is hij geweldig. Zoals hij danst… Schitterend.” Of een man denkt: “Als ik haar niet neem, kom ik nooit meer aan de vrouw.” Zo zit het in het leven!
En wat ook troost is dat de Tijd maling heeft aan “sterk”. Hij maakt alles slap. Hij heeft ook maling aan de mooiste, of de schoonste, of de liefste, of het moreel hoogstaande. De Tijd zuigt alle kwaliteiten op, terwijl hij je naar de dood duwt. Maar wie midden in het leven staat, zal merken dat de sterkste altijd wint. Het is vreselijk, maar het is niet anders. We kunnen proberen de kracht van iemand te ontnemen, maar uiteindelijk gaat de knapste gozer er met de mooiste meid vandoor. Tenzij… (en dat is ook hoopgevend) tenzij die knappe gozer niet weet wat schoonheid is en hij meent dat een dom mokkel een prinses is. Dat is dan weer mooi van het bestaan.
(Sorry dat ik zo zever, maar op een of andere manier voelt het ongemakkelijk om in een ziekenhuis te schrijven. Ik ouwehoer mijn zenuwen enigszins weg. Ik heb trouwens – nu we het er toch over hebben – ook al eens in een crematorium geschreven. Ik weet nog dat ik toen allemaal pornografische dingen opschreef, in de trant van: “Onder tafel voelde ik haar hand plotseling over mijn gulp aaien…” Ach ja, Eros en Thanatos. Ik was jong toen en verliefd. En verdomd: ik heb in die tijd ook nog een sonnet geschreven in Parijs, op die grote begraafplaats op Montmartre, zittend op een steen van iemand die Judith heette, omdat ik toen verliefd was op een Judith. Wacht, dat moet nog in mijn computer zitten. Ik zoek het even op.
De waan
Ik ben, mijn schat, eenvoudig in mijn taal.
Maar jouw barokke beeld vervalst mijn woorden.
Mijn fluisterzinnen die jouw oor bekoorden
vervormen thans tot een eng spookverhaal.
Waar het op neerkomt is eenvoudig dit:
ik wil nu iets van liefde laten merken.
Ik wil het goede wat er was versterken.
In poëzie schrijf ik waar ik mee zit.
Maar ik weet niet meer wat je denkt of doet,
wie of je kent en wie of je ontmoet.
Ik hoor – soms – wat ik liever niet wil horen.
Is er een ander die je wil bekoren?
Ik zwijg nu! Ga me er niet mee bemoeien.
Laat het een waan zijn met wie ik nu ga stoeien.Dat is trouwens het grappige van kunst. Ze onttrekt zich aan sterk of zwak. Maar er is wel een overeenkomst. De schoonheid van een werkstuk wordt bepaald door een meerderheid met macht. Dat praat niemand me meer uit mijn kop.
Ach, ik moet nu stoppen.
De dood is hier nog niet geweest. Gelukkig. We mogen nog even naar binnen en een wang of voorhoofd kussen en ons weer voorstellen.
(“Nee, ik ben Theodor.” “Wie?” “Theodor!” “O, Thomas.”)
De column van Koos.
Vergeet niet te genieten van dit zeer lovend besproken boek:






Bedankt nog voor het mooie gedicht en de afschrijverij vanuit het ziekenhuis, mijnheer Holman.
Ik bezocht ooit een collega die om de hoek woonde bij de begraafplaats van Montmartre in een klein studiootje, we schrijven meer dan 25 jaar geleden. Ik was vers gescheiden. Zij was de dochter van een steenrijke zakenman. Iets in de farmacie.
Dat wist ik niet toen ik daar aankwam. Ik vond haar wel leuk en ze zag ook wel iets in mij meen ik. We zijn nog gaan fietsen aan de Seine. Maar ik faalde jammerlijk voor de ouderstest diezelfde avond. Samen naar een soort opera, Carmina Burana, en dan wat eten bij een typisch Frans bistrootje. Ik had een verkeerd overhemd aan en voelde me opgelaten en geïntimideerd. Ook was mijn Frans niet perfect al kan het zijn dat we Engels hebben gesproken.
Ik had maar een bescheiden inkomen, een lege bankrekening en niet veel zelfvertrouwen. Vandaar die intimidatie.
Toen ik nog eens in Parijs was heb ik haar nog een gebeld vanaf de trap naast de kathedraal van Montmartre. Ze was met een vriend in Griekenland. Helaas.
Jaren later heb ik haar nog teruggevonden op het internet. Ze was met een brave Italiaan getrouwd. Haar ouders waren ook Italianen. Ik heb nog een kopie van een waterverfschilderij dat ze had gemaakt van een typische straat in Montréal of Quebec. Het begint wel te vervagen. Net zoals veel herinneringen.
Ik heb wel eens gedacht, wat als ik een ander overhemd had aangetrokken, of meer kapsones had gehad.
Mooie verhalen, dank! En Koos…wat is hij toch wijs en lief.