De ondergang, c'est moi
Foetsie is Foetsie
Ha Vosje,
Zojuist had ik een onderhoud met de Koning der Dieren. Het ging om zaken waarover ik niets mag zeggen, maar hij vertelde mij tussen neus en lippen door dat hij heel erg tevreden is over jou, omdat je zo zo lief bent voor de gewonden en de vertrapten van zijn rijk. Hij vindt mij trouwens ook erg goed, en hij overweegt ons beiden een medaille te geven, gemaakt van subtiel gewoven spinrag waartussen kleine rozenblaadjes zitten, om uitdrukking te geven aan zijn waardering voor ons. Hij was trouwens nogal verbaasd dat we elkaar kenden, maar ik heb hem verteld dat we elkaar hebben leren kennen op een partijcongres voor misdeelde honden en katten waar jij een lezing hebt gegeven over slimme balkonwering en dierlijke mensenbestrijding
Ikzelf miauw de hele dag en blaf ’s avonds tegen de maan.
Ik schrijf mijn korte verhalen en mijn brieven en af en toe een artikel voor Nijmans Nieuwsbriefje of het NIW en heb verder totaal geen inspiratie. Inspiratie is een vorm van verborgen levenslust, een noodzaak om te schrijven of kunst te maken omdat je verhalen opgedrongen krijgt door je verdorven geest. Levenslust is foetsie. (Niemand gebruikt dat woord meer: foetsie is foetsie.)
Gebrek aan levenslust heeft zeker te maken met het wereldgebeuren en alles wat daar omheen hangt. Ik denk dat “men” zin heeft in oorlog. Overal om me heen merk ik “oorlogslust”. (Ik weet eigenlijk niet waarom ik dit tussen aanhalingstekens zet. Net alsof ik het niet meen, maar ik meen het wel!) Er bestaat de wens om elkaar expres niet te begrijpen, expres verkeerd te interpreteren, terwijl men toch min of meer dezelfde taal spreekt. Men strijdt voor gebiedsuitbreiding en volkeren trekken over de wereld met in hun achterzak een heilig boek dat ze ons willen opdringen. Waarom trek ik me dat aan? Ik wilde dat ik dat wist. Ik vermoed omdat het onder andere jou en mij belet vrij te zijn. We moeten steeds meer op ons hoede wezen. Dat put uit. Toen ik jaren geleden, na de moord op Theo van Gogh, echt werd bedreigd (politie voor de deur) wist ik: dit komt nooit meer goed. Heden ik, morgen gij. Wij waren door de vrijheid te decadent geworden. Decadentie is het wanneer de verworven cultuur wegdrijft van het bestaan; wat we hadden is niet meer belangrijk en voor wat we krijgen hoeven we geen moeite meer te doen. We strijden er niet meer voor en zo verzwakken we. Niets aan te doen. Lijden, zo mag ik graag betogen, is noodzakelijke pijn. Maar men wil niet meer lijden, wat ook begrijpelijk is. Wie wil er nu pijn? Opkomst, bloei, ondergang - het lied van de aarde. Kijk naar Amerika (ondergang) en naar China (opkomst, bloei). Kijk naar Engeland (ondergang), Frankrijk (ondergang), Duitsland (ondergang), India (opkomst, bloei).
Ikzelf - om maar eens over een willekeurig iemand te hebben - ben momenteel het levende voorbeeld van verval, van ondergang. En nogmaals: dat heeft ook met dat stomme wereldgebeuren te maken. Ik dacht dat we al klaar waren met “rassendiscriminatie” en “antisemitisme”. Maar je merkt het zelf: antisemitisme is mode geworden. Is het jaloezie op de Joden? Ik denk het wel. Jaloezie ken ik ook wel, zoals je weet, maar niet op een “ras”. (Ik ben jaloers op alle knappe mannen die achter de meiden aan zitten die ik wil.) Ben ik daarentegen kwaad op een volk? Nou, nooit op de mensen, maar wel op wat ze af en toe denken. Ik heb een gruwelijke hekel aan het islamlinks, dat incestueuze huwelijk tussen een kleingeestige godsdienst en een gevaarlijk economisch ideaal dat een fascistoïde bekeringsdrift heeft.
Hoe anders zijn onze vrienden, de dieren. (Zijn die eigenlijk wel zo anders?) Ik zag onlangs een vosje en heb hem een boodschap voor je meegegeven. Is die nog aangekomen? Je mag bij best via je geverderde vrienden of via zwerfhonden bij jou in de buurt boodschappen aan mij sturen. Ik spreek de hondentaal, niet goed, maar ik kan het meeste wel begrijpen. Het Vogels beheers ik niet omvat er zoveel accenten en dialecten zijn, maar hond Koos kan dat allemaal wel verstaan en ik versta hem weer.
Waf woe waf waf, potwiet poewiet, fruut fruut!
Theodor
Kort verhaal
Verlies
“Weet je wat het is?’’ zei hij tegen zijn vriend, ‘’ik vind het erg dat ik eraan wen. De eerste dagen, weken ben je verlamd. Je voelt haar nog, je praat nog tegen haar, je denkt dat ze je belt of binnenloopt. Je pakt per ongeluk twee kopjes voor de koffie uit de kast en staart dan even naar dat ene kopje dat je weer terug moet zetten. Het is een geest die je net niet kunt zien. Die je ontglipt. Maar jij bent ook een schim. Het was of ik naast mezelf leefde, maar soms ook of ik mezelf kon zien. Ik zeg het verkeerd: het is of ik naast mezelf leef, of ik mezelf kan zien. Verleden en tegenwoordige tijd na en door elkaar. Ik zag mezelf door de straat lopen, de boodschappen doen, thuis op de bank zitten… En steeds met die pijn. Die zeurende pijn. Die pijn die werkelijk rond je hart zit en soms in je buik. De pijn van verlies… En tegelijkertijd zie ik die man die pijn heeft…’’
Zijn vriend zweeg omdat praten ongepast leek.
“Maar opeens merk je dat je dat verlies af en toe vergeet. Steeds meer… Gisteren lag ik in bed mijn eenzaamheid te verdringen en kreeg ik domweg last van… ik weet niet hoe ik het moet zeggen… de steen van onherroepelijkheid die op m’n borst duwde…’’
“De…wat?’’
“De steen van onherroepelijkheid. Dat is een steen die door je geest is ontwikkeld en de zwaarte heeft van een grafsteen… die drukt op je… Zo zwaar soms dat je vergeet om verdriet te hebben. Die steen is met je vastgegroeid… Ik denk dat hij in mijn hoofd zit en rond mijn hart… in mijn hele lichaam eigenlijk… Ik versteen.’’ Hij keek z’n vriend aan en zei: “Je vindt dat ik wartaal spreek, is het niet?’’
“Nee… ik snap het alleen niet goed… Het zijn jouw gevoelens, jouw woorden…’’
“Het is te vergelijken met liefdesverdriet, maar ik denk dat liefdesverdriet erger is…’’
“Erger?’’
“Bij liefdesverdriet hou je het verlangen, ook al is het tevergeefs. Verlangen kan meer pijn doen. Je moet het accepteren maar er is altijd hoop. Verlangen met hoop doet constant pijn. Het definitieve vergaat. Hoop en het verlangen vergaan nooit.’’
“Dus het wordt minder?’’ vroeg zijn vriend.
“Ja, en het maakt plaats voor schuld.’’
“Waarom schuld?’’
“Precies om wat je zegt: omdat het minder wordt. De geest wil dat het minder wordt, terwijl ik dat niet wil.’’
“Dat is toch bij liefdesverdriet ook?’’
Even keken ze elkaar aan.
“Het is hetzelfde en toch ook weer niet. Die steen van onherroepelijkheid laat geen licht door. Bij liefdesverdriet is het een kleinere steen. Ik weet ook niet goed of het een steen is… Het is misschien wel een extra orgaan dat ontstaat als de liefde uit is en mettertijd weer kleiner wordt. Bij liefdesverdriet ben je overboord gegooid en blijf je zwemmen in de hoop op een reddingsboei… Nu zink ik naar de bodem en ik moet zelf beslissen of en wanneer ik weer boven wil komen…’’
“Laat hem maar,’’ dacht zijn vriend en zweeg.
“Ik ben wanhopig,’’ hoorde hij toen.







Beste Theodor, een woord van troost; wat kunnen zwanen toch mooi zingen! Lieve groet, Roy