Culturen verdwijnen
Waar barbaren verschijnen
Lieve Vrouwke Chanson,
Ik was vroeger ‘Schlemiel.’ Zo noemden ze me.
De groeispurt bleef namelijk uit, terwijl mijn ogen snel achteruit holden.
Het was eind jaren vijftig en mijn brillenglazen werden ieder jaar groter en dikker. Tot het moment dat ik nog maar weinig kon zien en ik toch wilde voetballen. Toen werd ik “Schlemiel.’ Schlemiel - ik wist wel ongeveer wat het woord betekende. Dat het van Jiddische oorsprong was, hoorde ik pas jaren later. Ik vond het gewoon het ‘Amsterdams’ (ik weiger om ‘plat-Amsterdams’ te zeggen) dat ik met mijn vriendjes sprak.
“Hee Schlemiel schiet verdomme die teringbal naar mij!’’
“Hou je kanus, eikel.’’
Waarom ik ‘Schlemiel’ werd genoemd begreep ik wel.
Dat ik af en toe de bal raakte werd al als een wonder gezien.
Ik heb me er in de loop der jaren onderuit weten te voetballen. Mijn ogen werden ook iets beter. Schlemiel werd Pinda. Pinda werd Chinees. Chinees werd Dor. Dat is het gebleven tot ik, na een aantal gebroken brillen en scherven in m’n oog, niet meer voetbalde. Met koppen belandde wel mijn bril, maar nooit de bal in het doel.
Dat ik Schlemiel werd genoemd zegt iets over die tijd.
Ik vond het niet erg. We hadden allemaal bijnamen die verwezen naar onze in het oog springende eigenschappen. Klaas heette “Rooie,” Mark (een Surinaamse jongen) werd “Roetmop” genoemd, Karel heette “Lippie” (vanwege hazelip). Alleen de hele goede spelers noemden we, laf als we waren, bij hun naam.
De mentaliteit was destijds zoals Willem Wilmink heeft beschreven in “Frekie.”
(…)
Frekie woonde in de buurt
maar zat niet op onze school.
Hij was een debiele jongen,
een mongool.
Meestal riep er iemand wel:
‘Kom maar, Frekie, doe maar mee.’
Welke kant hij uit moest schoppen,
daarvan had-ie geen idee.
Maar we legden soms de bal
op twee meter van het doel,
en we riepen: ‘Schieten, Frekie!’
En hij trok een ernstig smoel. (…)
Zo was het in het begin ook met mij gesteld.
Ik herinner mij dat Theo van Gogh mijn moeder vroeg: “Koks (mijn moeder werd Koks genoemd-T), Koks, vertel eens, wat was Theodor vroeger voor een jongen?’’ Mijn moeder antwoordde met een anekdote over mij: “Als Theootje uit school kwam, gingen zijn vriendjes hier buiten op straat voetballen. Maar Theootje pakte een stoel, zette die voor het raam, en ging naar het voetballen op straat kijken.’’
Dat was waar. Van Gogh had daar plezier om. (Over de verhouding Theo en mijn moeder zal ik je eens in een aparte brief berichten. Die was komisch.) Je begrijpt dat Van Gogh mij tijdens de opname van Hoe ik mijn moeder vermoordde mij voortdurend “Theootje” noemde.
In mijn jeugd kon ik niets, durfde ik niets en wilde ik daardoor niets, en dat is eigenlijk zo gebleven tot ik de bluf en de leugen ontdekte en ik besloot schrijver te worden, want meer dan het hebben van fantasie moet je als schrijver goed kunnen liegen en je overal doorheen bluffen. Fantaseren is ten slotte een vorm van liegen. Wat voor je geestesoog verschijnt bestaat niet.
Ik heb voor mijn kleinzoon wel eens gedacht aan een kinderboek dat Hoe Schlemiel leerde liegen, zou heten, maar ik zag daar toch maar van af. Ik wilde toen nog een held voor mijn kleinzoon zijn.
Het Jiddisch verdwijnt, net als het Amsterdams. Ik hoor in de stad een nieuwe taal gesproken worden met veel harde klanken. Ik zeg er maar niets over want dan word ik weer beticht van discriminatie, terwijl ik niet discrimineer. Maar weet dat ik soms verlang naar dat Jiddisch van vroeger, terwijl ik gewoon een straatjongen uit Amsterdam was.
“Hee Robbie, dat lekkere niese is dat jouw zussie?’’
“Die piegem heeft een ontzettend dom ponum.’’
Laatst hoorde ik dat het Farsi, de taal die ze in Perzië spreken, zo’n 3000 jaar oud is. Onze taal is 1500 jaar oud. Maar er is een verschil: het Farsi kan men nog lezen en begrijpen. Teksten uit 500 mogen dan misschien Nederlands zijn, we snappen er niets van. Sterker: Nederlands teksten van driehonderd jaar geleden snappen we ook niet. De Delftse Bijbel uit 1477 is eigenlijk ontoegankelijk voor ons. Hoewel, Genesis 2 is best mooi: “Mer die aerde was onnut ende ydel: ende donckerheden waren op die aensichten des afgronts. Ende goods gheest was ghedraghen bouen den wateren.’’
Dit herinnert me trouwens aan een (bijna) caféruzie die ik laatst had.
Ik had een mooie lezing gegeven over mijn eigen boeken en ging nog wat drinken met het publiek. Daar was een jongen (student, man) die vroeg me wat hij zeker moest lezen als hij een goede schrijver wilde worden. “In de eerste plaats de Bijbel,’’ zei ik diep gemeend.
“Waarom de Koran niet!’’ vroeg een vrouw agressief.
Ik antwoordde: “Ik heb de Koran gelezen. Ik vind het niet zo’n mooi boek. Niet zo mooi als die Bijbel.’’ En ik begon een verhaal over dat onze Nederlandse cultuur vol zit met Bijbelse taal en uitdrukkingen etc.etc.
“De Koran is mooier,’’ hield zij voet bij stuk.
“Ja, dan raadt u de Koran aan en ik de Bijbel.’’
Eigenlijk had ik wel steun verwacht, maar er waren meer mensen die om me heen stonden die zeiden (ik vat alles even samen): “Ja, we hebben de Koran niet gelezen, maar eigenlijk zouden we dat wel moeten doen, want die maakt toch ook deel uit van onze cultuur.’’
Afijn, ik pakte de envelop met zwarte euro’s en ging naar huis. “De mens kijkt naar het uiterlijk, maar de Heer kijkt naar het hart.” - 1 Samuel 16:7.
Ik voelde me weer even Schlemiel en vond dat ik harder had moeten opkomen voor onze cultuur. Maar “eigen cultuur” - dat is zo’n verdacht begrip. Mijn cultuur kan nog, maar “onze cultuur” wordt alweer mistig, als je begrijpt wat ik bedoel.
Wat is in godsnaam onze cultuur? Ik heb een slordige boekenkast, een slordige geest, en dus een slordige cultuur. Nou en? Het is de mijne! En niet die van Nederland, van Europa, van Amerika of weet ik veel. Hoe meet je cultuur? Een geest die woorden letterlijk neemt heeft moeite met zo’n vuilniszak waar “onze cultuur” in gestopt is, terwijl ik wel aanvoel dat er zoiets als verzamelde culturele waarden moeten zijn.
Ik heb culturen zien sterven, vooral subculturen, en vroeger leerde ik dat de Griekse cultuur werd vervangen door de Romeinse en dat vervolgens de cultuur van de Middeleeuwen arriveerde, gevolgd door de prachtige Verlichting, etc.etc. Culturen verdwijnen, waar barbaren verschijnen. Over niet al te lange tijd kan men mijn brieven aan jou alleen nog lezen via AI en is ons alfabet vervangen door merkwaardige streepjes en kronkels en lezen we van rechts naar links of van boven naar beneden.
(Erg hè, dat niemand mijn prachtroman wil bespreken? Als iets de teloorgang van de cultuur toont, is dat het dat wel.)
Liefs en groet,
Theodor
Kort literair verhaal
Serviceflat
Voor de ingang van de serviceflat stond een ambulance.
Hij zette z’n auto neer, stapte uit en liep naar binnen. In de gang werd hij tegengehouden door een oudere dame.
“Een ogenblik,’’ zei ze.
Ambulancebroeders duwden een brancard langs hem waarop iemand onder een laken lag.
De oudere dame legde even haar hand op het laken en zei: “Dag Til.’’
Even later stond hij met de vrouw in de lift.
Ze zwegen tot de tweede verdieping.
“Een uur geleden… En nu is ze al weg… het huis uit,’’ zei de oudere dame.
“Ja,’’ zei hij bij wijze van antwoord, “heel naar.’’ De lift kwam aan op de verdieping waar z’n moeder woonde en even later belde hij aan en klopte op haar deur.
“Tilly van Beusekom van hiernaast is overleden,’’ zei z’n moeder zonder hem te groeten. Ze was overstuur.
“Tilly… gisteravond nog… een uur geleden kwam mevrouw van Helst… en die zei: Tilly is dood… Gisteravond nog zag ik haar.’’
“Hoe gaat het met jou, mam?’’
“Het gaat hier zo snel… Ik geloofde gewoon niet dat ze dood was. Dus ik liep haar kamer in want de deur was open en ze zat op de bank. Ik zei: Til, Til zei ik. Niks. En ik zag het ook wel. En toen kwam mevrouw Van Helst… en ik ben weer hierheen gegaan, maar ik zag dat de ambulance… maar ziek was ze niet.’’
“Ja, het is heel vervelend,’’ zei hij.
“Ze hadden beter meteen de… hoe heet het… uitvaartondernemer kunnen bellen met een lijkwagen of zo… Maar ik dacht een ambulance… ze was niet meer ziek. Ze was dood.’’
“Was het een aardige vrouw?’’
“Iedereen is hier een beetje hetzelfde… gisteravond vroeg ik nog, hoe gaat het, Til? Het ging altijd goed. Als ze het aan mij vragen zeg ik ook altijd dat het goed gaat.’’
“Het gaat toch ook goed met je?’’
Z’n moeder keek hem even aan.
“Daar gaat het niet om. Het kan zomaar… zonder reden… zonder dat je pijn hebt, of ziek bent… En dan zit je op de bank… en niemand ziet je, niemand merkt het…’’
“Is dat erg?’’
“Niks is erg meer… We stonden daarnet op de gang… even voordat jij kwam, werd ze uit de kamer… En toen plaste ik in mijn broek… Ik heb razendsnel iets schoons aangetrokken. Ik ga zo wel onder de douche.’’
“Waarom ga je nu niet douchen, mam?’’
“Ik tril nog.’’
“Waarom tril je nog?’’
“Omdat de dood hier vlak langs gelopen is. Een uur geleden. Net als bij je vader. Ik lag naast hem en…’’
Ze stond voor haar doen snel op en liep zonder haar rollator naar de badkamer. Eerst hoorde hij haar doortrekken en toen ging de douche aan.
Eerlijke recensies






Je boek staat hier klaar in de startblokken