Zinvolle zinnen
over zinvolle onzin
Ha Lollypoppie,
Herinner jij je Peter nog? Die is dood. Hij was onderwijzer in Den Haag. Honderd jaar geleden of zo zijn we nog bij hem en zijn vrouw - toen was dat Tiny - op bezoek geweest in de Valeriusstraat. Hij liep op straat, viel en was dood.
Ik kende hem omdat hij onder de naam Peter Dreamer eind jaren zeventig van de vorige eeuw een detective had geschreven die niemand wilde uitgeven. Uiteindelijk was hij met zijn manuscript naar mij gekomen, en ik vond het ook niets. Maar hij heeft wraak genomen, want hij ging boekjes voor het onderwijs schrijven. Ik geloof voor kinderen met leesproblemen. Dat heeft hij jarenlang gedaan. Hij kocht er een huis van in Amsterdam-West en verkocht dat na een jaar. Daarna ging hij in huizen handelen en werd rijk.
En nu is hij overleden.
Ik moest weer denken aan het tweeregelige versje van Toon Hermans:
“Wat heb je aan je miljoenen, Piet,
als je pissen moet en je kan het niet.”
Vijf jaar geleden vroeg ik hem: “Wat had je nou liever gehad: dat je boek was uitgegeven, of al die rijkdom die je nu hebt?”
Hij loog.
Althans, hij zei: “Als mijn boekje was uitgegeven, had ik altijd les moeten geven, en nu heb ik een huis in Italië en kan ik doen wat ik wil.”
Hij kon niet doen wat hij wilde. Hij scheidde van Tiny, nam Mirjam, daarna Inge, die ik nooit heb ontmoet. Hij was altijd wel aardig als ik hem zag, maar ik hoorde dat hij voor zijn huurders een zak was.
Was hij gelukkig?
Hij wilde kunstenaar zijn, een schrijver zelfs, maar hij kocht zijn kunstenaarschap. Ik bedoel: hij kocht kunst. En als hij dan weer voor een beeldje stond dat hij had bemachtigd en waarvan ik de betekenis niet direct doorhad, zei hij: “Mooi hè? Vijfduizend euro.” Een ander beeldje was: “Is dit niet prachtig? Zevenduizend euro.” En hij had ook zeer kleurrijke schilderijen: “Schitterend, niet? Tienduizend euro.”
Ik dacht steeds: “Waarom ga ik toch met hem om?”
De reden was dat ik geworden was wie ik wilde worden en hij... misschien... maar ik geloofde het niet. Bewijsdrang van mijn kant, vermoed ik.
Toch rouw ik om zijn dood. Die herinnert mij eraan dat je consequent moet doen wat je wil. Ik heb vroeger veel te veel concessies gedaan, een ruggengraat van rubber gehad en meegepraat als ik dacht dat me dat voordeel zou opleveren.
Dom, dom, dom.
Als je opeens sterft, realiseer je je niets. Ook niet wat je aan je leven hebt gehad. Krijg je Alzheimer, dan word je kinds en wil je op je tachtigste een voetbal en een voetbalshirt van Cruijff. Slaat de kanker toe, dan wordt alles gerelativeerd en staat alles in dienst van de pijnbestrijding.
Ik geloof niet dat gelukkig sterven bestaat. Ik geloof ook niet dat gelukkig leven bestaat. Ik geloof dat je soms iets doet - een boek schrijft, een schilderij schildert of een wetenschappelijke ontdekking doet - waaraan je genoegen beleeft. Eventjes.
Het leven is betekenisloos, maar tijdens je leven zijn er korte momenten waarop je denkt dat het zinvol is. Daar moet je het voor doen.
Ach, Lollypop, het is zo ingewikkeld. Ik wou dat ik me niet zo achtergesteld voelde, maar als dat zo is, is het mijn eigen schuld.
Geeft niet. Ik schrijf, schrijf en schrijf. En soms maak je zinvolle zinnenn of zinvolle onzin. Voor wie? Voor mij.
Heeft de wereld er wat aan? Geen idee. Geen idee? Daar heb ik eigenlijk nooit last van.
Dag, Lollypop.
Theodor
Kort verhaal
Yoghurt
Ze had altijd gedacht: “Zodra hij dood is, ga ik leven.’’
Maar nu hij alweer een week begraven was, wilde ze niks.
“Wil je echt niet dat ik blijf, mam?’’ vroeg haar dochter.
“Nee, je bent er al een week… Ga maar naar huis.’’
Ze omarmden en kusten elkaar en dochter vertrok.
Was ze verdrietig? Ja, maar ook opgelucht.
“Het enige wat ik mis zijn de vertrouwde geluiden,’’ dacht ze. Dat had ze ook gehad toen Ollie, de hond, was overleden. Ze meende destijds voortdurend dat hij nog ergens liep, maar dat was niet zo. Tot ze aan zijn afwezigheid was gewend.
De bel ging en ze besloot niet open te doen.
Maar iemand bleef voor de deur staan.
Ze deed toch open.
En daar stond zij.
“Ja,’’ zei de vrouw aan de deur, “ik dacht, hij is dood en…’’ De vrouw zweeg en keek naar de grond.
“Waarom kom je? Om te zeggen dat hij van jou hield en niet van mij? Wil je me daarmee kwetsen? Een overwinning behalen?’’
“Nee… nee, integendeel, ik…’’
De vrouw maakte aanstalten om weer te vertrekken.
“Ik had niet moeten komen… Het spijt me,” zei ze. Ze draaide zich definitief om en liep weg.
De deur werd zachtjes dichtgedaan.
Ze dacht dat de vrouw ook wel verdriet zou hebben. Misschien wel meer dan zij. Had ze haar binnen moeten vragen? Waarom? Kwetste haar aanwezigheid haar niet? Ach nee. Het zou haar niets kunnen schelen, maar waar moesten ze het over hebben? Over hem? Over zijn slopende ziekte? Over hoe hij steeds minder mens werd, steeds minder de persoon die ze kende? Het was alsof ze z’n pies nog rook als hij weer eens in zijn bed had geplast (“hij heeft weer urine verloren,’’ noemde ze dat) en de thuiszorg hem waste terwijl zij het bed verschoonde.
“En toch ben ik blij dat ik dit heb kunnen doen,’’ dacht ze, zonder precies te weten waarom. Alsof ze hem twee jaar lang naar de dood had begeleid terwijl hij tegelijkertijd een vreemde voor haar werd. Op het laatst was hij een hond, niet liever dan Ollie.
Ze ging in de stoel naast het bed zitten waar ze zo vaak naar hem had zitten kijken. Toen had ze verdriet gehad. Toen had ze afscheid van hem genomen. Toen had ze - volkomen tevergeefs - tegen hem gezegd dat ze hem niet vergaf en dat ze hem eigenlijk een klootzak vond en dat hij haar leven had verpest. Ze had nou spijt dat ze het niet echt had uitgesproken, maar alleen gedacht, in boze agressieve zinnen terwijl ze hem yoghurt voerde.



