Dit keer twee korte verhalen en een column van Koos.
Kort verhaal
Het kopje
Zijn vrouw zag vanachter de keukendeur dat hij de overlijdensenvelop opende, maar zei niets. Ze zorgde ervoor dat hij haar niet zou zien. Hij liep de trap op, ging naar de badkamer en deed de deur op slot.
“Waarom praat je er niet gewoon over?” dacht ze. “En waarom praat ik er niet over?”
Al jaren probeerde ze zich zo’n gesprek voor te stellen, maar ze wist niet wat er dan zou gebeuren. Zelfs nu wist ze dat niet. Wat moest ze ook tegen haar man zeggen?
“Ik weet dat je van hem hield.”
“Hoe kom je daar nou bij? Helemaal niet!”
Hoe zou na zo’n zin hun verhouding zijn? Wat bleef er dan nog over van hun huwelijk?
Ze wist al vijftien jaar dat zijn hart niet bij haar lag. Hij verdrong het, waarschijnlijk voor haar. Was dat ook geen liefde? Want hij was zo lief. Ze zou geen andere man willen. En de opoffering die hij zich voor haar getroostte, getuigde die niet van grote liefde? Misschien zei ze het daarom niet. En wat zou er gebeuren als hij zou zeggen: “Ja, ik val ook op mannen…” Zij zou het niet erg vinden – nu niet meer –, maar vijftien jaar geleden zou ze onzeker zijn geworden. Wat moest zij dan doen? Het was zijn huis, zijn auto, zijn geld. Zij had weinig tot niets. Dat was niet zo erg, maar dat ze hem kwijt zou zijn…
Ze hoorde hem doortrekken. Ging hij naar de slaapkamer? Als hij enigszins droevig was, ging hij even liggen. Dat wist ze en ze liet hem dan alleen. Hij zou straks terugkomen, zwijgen en in de kamer wat televisie kijken. Was het niet haar taak hem nu bij te staan? Ze zou kunnen zeggen: “Voel je je niet goed?” Hij zou waarschijnlijk knikken en dan zou zij kunnen vragen: “Wat kan ik voor je doen?” En dan maar wachten. Ze wachtte altijd al.
Ze besloot koffie te zetten. Ze liep naar boven met een kopje, deed de deur van de slaapkamer open en zag dat hij in bed lag met de deken half over zijn hoofd getrokken.
“Hier, koffie,” zei ze.
Hij draaide zich om, zag haar en zei: “Hij is dood.”
“Ik had het in de krant gelezen,” zei ze.
Het was de eerste keer in vijftien jaar dat ze erover spraken. Ze zette het kopje naast zijn bed en verliet de kamer.
Kort verhaal 2
Weg
Hoe weg te gaan zonder verdriet? Dat was een vraag die haar al meer dan een jaar bezighield. In het begin dacht ze nog wel na over hoe haar toekomst zou zijn. Maar ze wist: als ik weg ben, heb ik domweg niets meer. Wat had ze nu voor toekomst? Haar besluit stond vast en dat maakte haar verdrietig. Hij was niet slecht. Hij was zelfs niet onknap. Het was geen grootvorst “between the feathers’’, maar dat kon haar nooit echt iets schelen. Ze kon niet meer van hem houden, want ze hield van iemand anders. Iemand die eigenlijk niet aardig was, ook geen held in bed, maar wel domweg leuk, iemand die haar begreep, iemand op wie ze verliefd was geworden, iemand van wie ze het idee had dat haar leven er opwindender van zou kunnen worden. Als ze alleen al aan hem dacht, moest ze lachen, maar werd ze ook verdrietig.
Maar hoe ga je weg zonder verdriet?
Ze belde haar grote liefde op.
“Hai… met mij… Ik heb mijn besluit genomen…’’
“Oh… En?’’
“Ik ga vanavond… op de laffe manier, Ik heb een brief waarin alles staat…’’
“Aha.’’
“Maar kan ik dan bij jou vanavond?”
En toen was hij net te lang stil en zei: “Dat komt een beetje slecht uit.’’
“Hoezo?’’ vroeg ze.
“Wil je echt vanavond weg?’’
En toen wist ze het. En toch was ze hem dankbaar. Ook voor het inzicht dat door die woorden “dat komt een beetje slecht uit’’ in haar geest explodeerde. Ze hing de telefoon op en voelde schaamte.
Op dat moment hoorde ze de sleutel in het slot gestoken worden en kwam haar man binnen.
Ze sloop naar de badkamer.
“Hallo schat. Ben je thuis?’’ vroeg hij.
“Ik ben even in de badkamer.’’
Daar maakte ze haar ogen iets te fel op, stifte ze haar lippen rood, deed haar badjas aan en daaronder niets. Nog wat parfum en ze liep naar de woonkamer waar haar man moe half op de bank.
“Ik ben geil. Ik wil nu!’’ zei ze.
Hij keek naar haar.
“Wat is er?’’ vroeg hij. Achterdocht droop van elk woord dat hij had uitgesproken, maar zijn blik was afgeleid, want hij zag haar half verborgen borsten en prachtige benen. En zij zag dat hij haar monsterde en dat het beest in hem ontwaakte dat jarenlang in z’n kooi van werk en burgermanssleur had liggen slapen.
“Kom,’’ zei ze.
Ze deed haar badjas open en ging languit op de bank zitten, en even later likte hij niet de tranen die langs haar wangen uit haar dichtgeknepen ogen vloeiden.


