Waar is de oorlog?
Alsmaar rechtdoor in de achteruit
Ben ik bang voor oorlog?
De antwoorden “ja” en “nee” zijn fout. En eigenlijk is alles wat daartussen zit ook verkeerd. Een normaal mens hoort te allen tijde oorlog te vrezen, maar hij dient te handelen alsof er geen oorlog komt; anders kan hij niets meer, wil hij niets meer en doet hij niets meer.
Toen ik zo oud was als mijn kleinzoon nu, was ik “als de dood” voor oorlog. Vooral een atoomoorlog. Er werd thuis dagelijks over oorlog gesproken. De atoomoorlog was in 1962 dichtbij geweest en mijn vader en moeder hadden vermoedelijk iets gelezen of gezien over het atoomwapen (waaraan zij als Japanse krijgsgevangenen nota bene hun leven dankten) en konden uitgebreid vertellen over het verzengende vuur waarin iedereen de dood vond. Vooral herinner ik mij dat ik het stralingsgevaar beklemmend vond. Je stierf niet door een kogel, maar door iets dat je niet kon zien en dat uit zichzelf ging branden. Dus je liep op straat en plotseling stond je in vuur en vlam. Of nog erger: je zag je ouders opeens als aspilaren voor je. Of de hond! Stof voor nachtmerries.
Maar nu ik zelf de leeftijd heb bereikt waarop ik elk moment tot poeder uiteen kan vallen, is mijn angst voor oorlog afgenomen, terwijl ik tegelijkertijd besef dat het elk moment kan gebeuren. De geschiedenis leert dat je nietsvermoedend langs de terrassen aan de Vijzelgracht in Amsterdam kunt lopen en twee weken later aan het front staat om drones uit de lucht te schieten.
Ooit schreef ik de filmdialoog: “Wat wil je liever: geen benen meer of dood?” Het antwoord van de soldaat was: “Dood met benen.” Die film is helaas nooit gemaakt. Bij het filmfonds vonden ze de dialogen te cynisch en het verhaal te zwart, wat ik een compliment vond.
Eerlijk over oorlog spreken is cynisch zijn.
Niet alleen presidenten houden van oorlog, de meeste mensen zijn er dol op, al beweren ze het tegendeel. De reden is dat men liever een oorlog voert dan toegeeft dat men fout zat. Laat ik het anders formuleren: opinies beginnen oorlogen, waarna de algemene opinie is dat het vrede moet worden. De wereld slingert zich daartussen heen en weer op het ritme van de eeuwigheid. Elke keer moet een generatie zich afvragen waarvoor het waard is om te sterven. Die vraag valt eveneens niet te beantwoorden, dus hou dat maar stil. Want wie bepaalt die stervenswaarde? Wie in een oorlog meedoet, moet verdomd goed weten waarvoor hij wil sterven – vermoedelijk komt hij of zij tegenover mensen te staan die precies hetzelfde willen: vrede, liefde, zorgzaamheid. Voor welke waarden sterven zij? Noem al die mooie begrippen maar op. Dat is tegelijkertijd de reden dat men oorlog wil en zelfs eist: men vecht voor de kwaliteit van leven voor de mensen die na hen komen, in de hoop dat iemand nog de vrede meemaakt die hij heeft bewerkstelligd, maar tevens in de zekerheid dat hij zijn eigen leven in de waagschaal legt.
Maar waaruit bestaat die kwaliteit? Wanneer ik nou eens alles inwillig wat de vijand wil, wordt mijn leven dan minder?
Stel dat we nu allemaal Duitse nazi’s 2.0 zouden zijn. Geen Joden in de stad, want die zijn allemaal vermoord. Ik doe mijn werk, ga om vijf uur naar de Stube, drink van die overdreven pullen met bier, ga om zeven uur naar huis waar Gretchen heerlijke zuurkool met Eisbein heeft gekookt en ’s avonds luisteren we via de Ferseher naar Wagner. Vervolgens rukken Geile Gretchen en Theodor de Dirndl en de Lederhosen van hun vadsige lijf om de nacht in te bumchen.
Is dat geluk of niet?
Ik denk het niet. Ik ben dan in Orwells land Oceanië terechtgekomen, een dystopie waaruit je wilt ontsnappen zodra je beseft dat je leven totaal nutteloos is, hoe leuk Gretchen en jij het ook hebben. Ik heb 1984 van Orwell dan ook altijd gelezen als de beschrijving van een land waarvan de inwoners een oorlog hadden verloren en de macht hadden overgelaten aan Big Brother en De Partij. Men is murw. Wie murw is, is constant in gevecht tegen de slaap, in de hoop dat hij kan dromen wat hij wil. En de mooiste dromen zijn die waarin hij iedereen vermoordt die zijn vrijheid belemmert, omdat hij weet dat hij zelf niets anders kan doen dan stikken in zijn dystopie. Als hij de kracht kan vinden, zal hij Big Brother en De Partij bestrijden. Fascisme 2.0 is daarom tot mislukken gedoemd. Men maakt elkaar kapot. Net als in iedere andere ideologie. Zoals geschreven: men wil oorlog, men wil elkaar vernietigen. Elke ideologie zou achter de voordeur moeten blijven, maar is juist ontworpen voor het openbare leven.
Maar…
In de Tweede Wereldoorlog waren de meeste Nederlanders… geen verzetshelden.
Maar…
Ik heb dus het idee dat er oorlog gaat komen - al weet ik nog niet precies wie onze vijand wordt (Rusland?Waarom?) - ik weet dat dierbaren zullen sterven, ik weet dat het niet te voorkomen valt, dat het noodzakelijk is, maar wat ben ik tegen oorlog. Soms vraag ik me af: wil ik wel meemaken dat mijn kleinzoon of mijn kleindochter naar het front gaan?
Waar je in een dystopie droomt van strijd om je vrijheid, krijg je in vrijheid nachtmerries over een naderende oorlog. Wij mensen hebben per definitie de verkeerde idealen.
Literaire verhalen
Oma
Omdat zijn moeder enige tijd in het ziekenhuis moest verblijven en zijn vader in het buitenland was, logeerde hij bij zijn oma.
Oma en hij hadden zijn vijftiende verjaardag gevierd en hij wilde daarna maar één ding: weg uit het huis, weg van oma, weg, weg, weg.
Hij maakte ruzie met z’n grootmoeder en liet haar huilend achter toen hij wegliep.
Buiten was het koud, en daarom ging hij soms in een portiek staan. Zijn vriendjes waren niet thuis. En toen besloot hij om niet bij zijn oma te slapen, maar op een bank bij het park.
Maar hij viel niet in slaap en had het ijskoud. Hij besloot naar oma terug te keren.
Hij zag dat het huis donker was. Gelukkig had hij een sleutel. De voordeur maakte een zacht piepend geluid en het leek of er niemand thuis was, Dat vond hij wel prettig. De televisie kon hij aanzetten.
Maar op dat moment hoorde hij zacht gelach.
Hij hield zich muisstil. Het kwam uit de slaapkamer van oma.
Wat was er met oma? Wat was er zo leuk? Zachtjes liep hij de trap op. Hij deed de slaapkamerdeur open.
“Dag pap,” zei hij.
Z’n vader draaide zich om - oma slaakte een gilletje - en even later had hij een schop van vader te pakken.
“Doe niet, Joop!’’ hoorde hij oma zeggen.
Maar z’n vader trapte hem de deur uit en sloot die met een klap.
Op de gang kon hij het gesprek horen.
“Ik dacht dat hij bij een vriendje zou slapen,’’ zei oma.
“Hij moet weten dat hij niet zomaar een slaapkamer kan binnenkomen.’’
“Je moet hem niet slaan.’’
“Ik raakte hem nauwelijks!’’
“Ik ga even naar hem toe,’’ zei oma.
Hij sloop snel de trap af en ging op de bank voor de televisie zitten. Toen zijn grootmoeder de kamer binnenkwam deed hij net of hij haar niet zag.
“Als ik jou vijftig euro geef,’’ zei z’n grootmoeder, “zeg je dan niets tegen je moeder… Je weet dat die ernstig ziek is.’’
Hij zweeg.
“Hij kwam hier voor je verjaardag,’’ zei grootmoeder.
“O ja? Die schop was zeker mijn cadeau.’’ Het viel hem nu pas op dat z’n grootmoeder onder haar kamerjas niets aan had; hij zag de tepel van haar linkerborst en keek weg. Zijn vader hoorde hij de trap aflopen en kwam even later de kamer binnen.
“Ik wil mamma even bellen,’’ zei hij.
DE COLUMN VAN KOOS





Is er al tegen ,,Oma'' gedemonstreerd door Vrijdenkersvereniging De Dageraad? Een oude man met een beroerd geschilderd bord in de najaarskou - zoiets.
Als de Duitsche bezetting tot op heden had voortgeduurd was de techniek (AI, smartphones etc.etc.)net zover geweest als nu. Alleen met andere inhoud. En je mocht ook moderne kleren dragen. (Zoals de vroegere Sowjet-Unie steeds slapper werd en de oude strengheid werd overgelaten aan zijn opvolger; ook weer met behoorlijk andere inhoud).