Waar het eens heeft gelachen
Het rommelt in de rommelzolder
Ha P.,
Dank voor je mail. Meen je het, dat je “De trip van Ferdinand Hania” een meesterwerk vindt? Uit jouw mond is dat een compliment, want je bent belezen, intelligent, hebt een goede literaire smaak en weet wat goed is te waarderen. Dat heb ik altijd al gevonden en nu zelfs meer.
Je schreef dat ik niet bang hoef te zijn voor “het wereldgebeuren”. Je doelde op Israël, Gaza, Libanon, Iran, de Verenigde Staten.
Angst is een huis met vele verdiepingen.
Op elke verdieping woedt een oorlog, of er is strijd, verdriet, pijn, ziekte… Allemaal verschillende angsten die allemaal even wezenlijk zijn. Op de hoogste verdieping huist De Dood. Het grappige is dat wij in dat huis kunnen zitten en we kunnen er ook van een afstand naar kijken en soms lopen we erin en eruit. De angst als je naar het huis kijkt is anders dan de angst als je in het huis bent, snap je wel? Het wereldgebeuren zit ergens in een verdieping in het huis. We kijken ernaar. Maar bemoei je je met het wereldgebeuren, dan stap je als het ware het huis binnen. (Ik leg dit heel duidelijk uit, al zeg ik het zelf.) Omdat ik aan je gezicht zie dat je me niet begrijpt, zal ik je een voorbeeld geven. Jij bent bijvoorbeeld een patatbakker. Eigenlijk lees je geen kranten, je volgt het nieuws ook niet. Het wereldgebeuren maakt je niet angstig. Je weet gewoon niet precies wat er speelt. Maar nu ga je kranten en boeken lezen, je wordt steeds wijzer en je herinnert je, van toen je moeder nog met jou de bijbel las, de woorden van Prediker 1:18: “”Wie zijn kennis vermeerdert, vermeerdert zijn smart”. (Een goede reden trouwens om geen kranten te lezen.) Maar je bent nu, met al je smart, het huis van angst binnengetreden. Sterker, je vindt dat je naar de landen moet reizen waar het wereldgebeuren zich afspeelt omdat je denkt dat patat vrede kan brengen. Je gaat dan een paar verdiepingen hoger. En je wordt dus angstiger. Je komt in een land waar de bommen op je vallen. Je bent dan bijna op de hoogste verdieping… De deur van de zolder staat altijd open en De Dood roept je dan al met zijn meest zoetgevooisde stem… “Hallo Patatbakker… weet je nog dat je geen kranten en boeken las? Was je toen gelukkig… Of niet?’’
Angst!
Mijn eigen angsthuis is trouwens een ruïne. Kapotte kamers, alles door elkaar heen, een stuk zolder ligt op de derde verdieping en weer een ander stuk zolder bevindt zich onder de grond. Eigenlijk is niets meer intact
Ik ben dan ook angstig dat de illusies die ik schep door mijn zwaarmoedig denkwerk op enig moment waar worden.
Als ik vijftig jaar jonger was geweest, zou ik deze stad hebben verlaten. En misschien ook dit land, want met een computer in je broekzak kan je overal werken. Maar ik ben al op een leeftijd dat ik de deur van de zolder kan zien en onvrijwillig tree na tree omhoog ga.
Ik zie nu aan je gezicht dat je mij een oudehoer vindt. Je moet niet zulke rare smoeltjes trekken, P.! Staat heel lelijk. Weet je dat ik het destijds heb uitgemaakt met Reina, omdat ze alleen maar praatte met haar gezicht? Mondhoeken naar beneden, neus opgetrokken, ogen dicht, fronsen, samengeperste lippen maar woordjes zeggen ho maar. Ik begreep wel eens iets verkeerd - en dan gingen die mondhoeken helemaal naar de grond. Ze had een geweldig lijf (mijn mondhoeken omhoog) maar ik werd toch gek van dat gezwijg.
Ik praat trouwens steeds minder met de wezens die men mens noemt. Toenemend antisemitisme - openlijk beleden - verlamt me. Mijn smoel wil ik best opentrekken, en doe ik op papier ook wel, maar ik krijg ook een minderwaardigheidscomplex van het feit dat iedere keer als ik bijvoorbeeld schrijf: “Er is steeds meer antisemitisme’’ het antisemitisme de week daarop is toegenomen. Maar als ik er niets over schrijf, neemt het ook toe. Zal ik je eens wat onthullen? Wanneer ik bijvoorbeeld zou schrijven dat Israël genocide pleegt en dat ik me erop verheug dat Iran Amerika een flinke loer draait en Israël van de kaart veegt, dan zal ik waarschijnlijk wel een literaire prijs en grote waardering krijgen in NRC, de Volkskrant, Trouw en de krant die ik niet wil noemen. Maar in dat geval zou ik erg ongelukkig worden. Ik schaam me al voor mezelf, maar hoe diep kan een mens zich voor zichzelf schamen? Ik denk weleens dat die schaamte uit onze cultuur is verdwenen. Je mag je niet meer schamen van de goegemeente. Schaamte is slecht. Nou, dat vind ik niet. Schaamte is verborgen menselijkheid. Wie zich schaamt voelt zijn moraal gloeien. Ik voel het gloeien, maar ik durf toch niet goed de straat op.
Dag vriendelijke knaap. Geef mijn boek cadeau!
Theodor
Kort verhaal
Dronken worden
Hij keek niet naar de schoonouders, maar naar zijn eigen zoon.
Het verdriet had de jongen verdoofd. Hij luisterde dus niet, keek niet – of misschien keek hij wel, maar dan naar zijn geest, die een meter voor hem op de grond leek te liggen en hem alleen maar raadsels openbaarde.
Arme jongen.
Wie moet je het kwalijk nemen als er niemand iets kwalijk te nemen valt? Voor het grootste verdriet bestaat geen genezing en die moet er ook niet zijn. Je moet er niet mee leren leven, je moet ervan gaan houden. Mettertijd zal het een verrijkend deel van je bestaan zijn. “Mettertijd” – een begrip dat veronachtzaamd werd, waarschijnlijk omdat het een vertraging suggereerde en tegenwoordig alles sneller moest gaan.
Mettertijd… Hij wou dat hij het zijn zoon kon toeschreeuwen, maar zou het enige troost bieden?
De korte rede die zijn zoon uiteindelijk hield, zat weliswaar vol clichés, maar hij wist dat de lieve jongen, net als zijn moeder, beter kon spreken met zijn handen dan met zijn mond. Zijn tekeningen waren van grote klasse, al hielden ze hem af van enige rijkdom en bleef erkenning uit, hoewel hij zeer gewaardeerd werd in een kleine groep die hier aanwezig was.
“Gek dat ik alleen maar aan hem denk en niet aan zijn vrouw,” dacht hij. Het lukte gewoon niet, terwijl hij het wel wilde. Maar een mens heeft soms voorkeuren waar hij niets aan kan doen.
Nadat alles enigszins was afgelopen en hij de schoonouders sterkte had gewenst en had beloofd dat hij binnenkort langs zou komen, stond hij naast zijn zoon.
“Wat doe je vanavond? Als je wilt, kun je uiteraard bij mij…”
“Nee… Ik wil niks.”
Opeens keek zijn zoon hem aan.
“Wat deed jij?”
“Wanneer?”
“Toen, na mamma.”
“Dronken worden nadat jullie me hadden thuisgebracht.”
“Je wilde toen alleen zijn.”
“Om dronken te worden.”
Even meende hij een glimlach bij zijn zoon te zien.
Beiden liepen ze het afgrijselijke gebouw uit; zelfs als de beste architect dit zou hebben ontworpen – en het was geen al te beste architect geweest – zou dit bouwwerk nooit bewonderd worden om zijn schoonheid. Er was per definitie te weinig licht en te veel schaduw.
Bij het grote hek namen ze afscheid van elkaar. Even verderop werd zijn zoon nog opgewacht door een klein aantal vrienden en vriendinnen, die hem en zijn vader blijkbaar niet wilden storen.
“Wil jij misschien met mij mee?” vroeg zijn zoon.
“Nee…ga maar naar ze toe.”
Hij staarde hem na, zag hoe hij de onwennige groep naderde en hoe iemand een arm om hem heen sloeg.
“Mettertijd, mettertijd, mettertijd.”
Recensies.
Jammer
r: geen recensies nog in de Bladen Die Er Toe Doen. Wel van collega’s gelukkig. Ik vind het mijn mooiste boek. (Ik vind het schaamtevol om reclame voor dit boek te maken. Maar het moet.)
Lees: De Trip van Ferdinand Hania.
Tot snel








Het liefst zou ik vertrekken naar noord Italië als ik 15 jaar jonger was toen mijn VUT inging en had ik toen geweten wat er nu op m'n 78e hier allemaal afspeelt.
Waarheid als een koe.