Verplichte emoties
Begrijp de ander niet
Ha Maarten,
Met empathie ben ik niet rijkelijk bedeeld, denk ik weleens. (Of beter: zoals je weet.) Ik hoor dat regelmatig van mijn omgeving. Je zou het een gebrek kunnen noemen - ik kan mij moeilijk verplaatsen in een ander. De ander is meer ding dan mens. Misschien ben ik te egocentrisch ingesteld. Als iemand een verhaal vertelt, wil ik daarna mijn ongelooflijk leuke anekdotes vertellen. Aan de andere kant is mijn gebrek aan empathie een motor voor mijn schrijven. Omdat ik de ander niet begrijp wil ik zo schrijven dat ik hem wel begrijp. De mens van vlees en bloed is mij een mysterie, maar met de personen die ik fabriceer in woorden en beelden heb ik domweg meer compassie. Ik herkende dat ook in Theo van Gogh. Theo kon mensen keihard beledigen - een talent waarvoor je een zekere ongevoeligheid moet bezitten - en dan dacht men regelmatig: waarom moet dat zo hard? Maar als Theo regisseerde, merkte je dat hij gelukkig was. Hij kon de mensen dan naar zijn hand zetten, hij kon ze op een manier laten gedragen die hij wel begreep. Hij hield daarom ook van acteurs. “Acteurs zijn mensen met een lege huls die wij moeten vullen,’’ zei hij regelmatig. Dat bedoelde hij niet als een belediging. Na verschillende regie-aanwijzingen lieten zij hem zien wat zich voor een deel in zijn geest afspeelde. Zodoende besteedde hij meer aandacht aan het spel dan aan het verhaal.
Ik herkende dit - al had ik meer aandacht voor het verhaal dan voor de mensen van vlees en bloed. De meeste mensen gedragen zich als zinnen die niet lopen en ze lopen zinloos zonder verhaal door hun leven. Wij, kunstenaars, moeten daar vorm aan geven. In zinnen en dialogen geschapen mensen kunnen pijn doen als je leest, maar minder pijn dan echte mensen. Alsjebieft!
Maar empathie is verplicht, heb ik begrepen.
Onlangs trachtte ik me in te leven in Donald Trump. Iemand - die vriend van je - wilde misschien een monoloog over hem op het toneel brengen. “Het moet een redelijke serieuze monoloog worden, Theodor…’’ En hij vervolgde: “Wat denkt Trump, hoe denkt hij, wat wil hij, hoe zit hij werkelijk in elkaar?’’
Tja…
“Ik wil de werkelijkheid niet,’’ zei ik. Maar ik beloofde het een kans te geven.
Constant moest ik denken aan een man met macht, bijna tachtig jaar oud. Min of meer een leeftijdgenoot. Waarom wil hij de dingen die hij wil, waarom wil of wilde hij Groenland terwijl dat niet van hem is? Is het raar dat hij die wens heeft? Het kan niet anders of hij moet regelmatig denken aan de dood. Zeker na de mislukte aanslag die op hem werd gepleegd. Daar zou ik mijn monoloog over willen laten gaan. Logline: Wat dacht Trump in de nacht na de aanslag. Wat wil hij nalaten? Waar - terugkijkend - is zijn leven over gegaan en wat - vooruitkijkend - wat wil hij dat zijn erfenis is. (Hetzelfde geldt voor Poetin, en misschien ook voor Xi). Je kunt de aftakeling van je lichaam niet tegenhouden. Je prostaat groeit. Je hormonen worden rustiger. Je huid gelooider, je vaten benauwder. Moest ik er een Elckerlyc -monoloog van maken? Elckerlyc houdt de stervende mens een spiegel voor… Wilde ik dat? Ik maakte aantekeningen over Trump die De Dood bij zich roept en probeert om een deal met hem te sluiten. Kernvraag: wat wil hij en wat heeft hij te bieden? Het eeuwige leven? Eist de dood dan al zijn rijkdom? Wat heeft de dood daaraan? Ik las Simone de Beauvoir er nog eens op na. “Alle mensen zijn sterfelijk”, heet haar boek. Graaf Fosca drinkt een magische drank en leeft eeuwig, maar juist dat eeuwige leven haalt alle zin van zijn leven weg. Ik kon Fosca niet veranderen in Trump en Trump niet in Graaf Fosca. Ik kwam wederom terecht bij Shakespeare. Richard de Derde. Ik las het toneelstuk voor de zoveelste keer. Schitterend! Probleem: Richard is zoveel interessanter dan Trump. Zoveel intelligenter ook. Hetzelfde probleem had ik met Shakespeare’s Julius Caesar. Had ik niets aan. Literaire modellen zijn altijd sterker dan de modellen van vlees en bloed. Hoe mooi is Goethes Faust? Maar die vindt verlossing door goed te doen. Is het geloofwaardig om Trump zover te krijgen?
Waar was ik nou naar op zoek? Ik ging het nog maar eens bij mezelf na.
Wilde ik ook land veroveren om meer land na te laten, zoals Trump, Poetin en Xi willen? Wilde ik geld aan mijn achterblijvers nalaten? Ach… Ik heb niets, dus het zal een paar duizend euro zijn. Ik vind mijn leven geen mislukking omdat ik geen miljoenen heb. Wat ik wel snap is dat je eventueel “navorsbaar’ wil zijn. Je moet op te zoeken zijn. Het is verrijkend dat je af en toe wat gedichten van Constantijn Huigens kan opzoeken, al leest niemand die meer. Het is meer dan verrijkend als ik iets vind van mijn vader in Indië. En ik word even gelukkig als mijn zusje een foto van mijn lieve moeder opstuurt. Wordt Trump gelukkiger als er een standbeeld voor hem wordt opgericht waarvan je weet dat het na verloop van tijd weer wordt neergehaald? Waar denkt hij aan in het holst van de nacht? Waar denk ik aan? Toch wel aan de dood. Dat gaat vanzelf. Je vrienden en vriendinnen sterven, het afgelopen jaar heb ik meer hospices bezocht dan cafés en dus meer over de dood gesproken dan over de liefde. Hoewel: je spreekt anders over liefde en vriendschap als De Tijd demonstratief op de rand van het bed zit.
Maar empathie… Ik kan mij niet in Trump inleven.
Niemand kan dat.
Empathie is een overgewaardeerde eigenschap; het suggereert gevoel voor de ander, maar dat gevoel bestaat niet. Je kunt beter beleefd en vriendelijk zijn.
Ik vertelde dit aan de acteur/regisseur die een stuk van mij over Trump wilde. Moest ik mijn opdracht teruggeven? “Ik kan het verzinnen, maar niet de werkelijkheid structureren. Mijn personage zal in niets lijken op de Trump die wij kennen.’’ Dat wilde de acteur/regisseur toch niet.
(Volgende keer meer)
Korte literaire verhalen
Zou ze haar broer meteen bellen?
Nee, ze wilde het doen als ze thuis was en er even over had kunnen nadenken.
Maar toen ze haar auto voor het huis parkeerde, werd ze lastiggevallen door een gedachte die haar irriteerde. Tijdens de rit naar huis had ze alleen maar gedacht aan de boodschappen die ze nog moest doen en steeds tegen zichzelf gezegd: “Niet vergeten melk te kopen! Niet vergeten melk te kopen!”
“Ik sta nu letterlijk en figuurlijk geparkeerd,” dacht ze, moest bijna lachen, opende het portier en stapte uit.
Even later zat ze in haar voorkamer en belde haar broer, die in Engeland woonde.
“Het is voorbij…,” zei ze meteen.
“Ik weet niet wat nu overheerst,” antwoordde hij, “vreugde of opluchting. In ieder geval geen verdriet. Wat voel jij?”
“Ik weet ook niet precies… Verwondering, denk ik.”
“Verwondering? Hoe bedoel je?” Ze hoorde dat hij al een licht Engels accent had.
“Ik vind het wonderlijk… dat hij er niet meer is… dat ik daar ook naar verlangd heb… Net een wond die ik jaren heb gehad en sinds een uur weet ik niet eens meer waar die wond zat.”
“Ik kan je daar wel aan herinneren hoor,” zei haar broer. Hij drenkte zijn woorden vaak in zuur. Weer merkte ze bij zichzelf een lichte neiging tot nerveus lachen.
“Wat doe je… ik bedoel… ga je naar de crematie?” vroeg ze.
“Geen denken aan!”
“Maar ik moet alles dan wel alleen… Ach, ik begrijp het ook wel.”
“Ik begrijp niet dat jij gaat. Laat hem rotten, ontken dat je z’n dochter bent… Voor mijn kinderen bestaat hij ook niet.”
Ze haalde haar schouders op, wat hij uiteraard niet kon zien, en zei toen: “Kan ik niet.”
“Ik snap je niet.”
“Ach…” Ze kon het ook niet uitleggen.
“Er is trouwens ook een huis met spullen,” zei ze. “Dat huis moeten we verkopen. Je bent ook erfgenaam.”
“Ik wil niks… Als er geld is, geef maar aan een club tegen child molesters of zo… Ik wil niks, niks, niks! Ja, ik wil dat hij nog een keer leeft en nog eens sterft. That would be a nice present.”
Ze vond het toch moeilijk om te horen.
“Hoe gaat het eigenlijk met Ann en Pamela?” vroeg ze.
“The kids are okay. Jane works hier nearby op een school… Alles goed. En met jou? Je moet hier weer eens komen. Het is twee jaar geleden…”
“Eerst dit maar afhandelen.”
“Maar hoe ben je eraan toe?”
“Ik heb hem de afgelopen drie maanden elke dag gezien en…”
“You’re stupid!”
“(…) en hij was eigenlijk hulpeloos… En hij had pijn.”
“Mooi… Ik denk dat hij te weinig pijn heeft gehad. Nou ja… Het is voorbij nu.”
“Volgende week zijn we pas echt vrij, geloof ik,” zei ze, “hoewel…”
Sonnet
Schamele literatuur
Is schoonheid schoonheid nog wanneer het niet
meer uit te drukken is in woorden van
normale kwaliteit? Wanneer je ziet
hoe godvergeten mooi iets is, wat dan?
Alleen maar kijken? Zwijgen? Ernaar wijzen?
Waarom is ‘prachtig mooi’ niet ‘mooi’ genoeg?
Omdat je ‘schoonheid’ meer eer wilt bewijzen?
Omdat het ‘mooi’ het ‘lelijke’ verjoeg?
Kijk daar! Je loopt nu wederom volmaakt.
Terwijl je vol met gif zit en met zuur.
Als volzin die ik lelijk af moet breken.
Ik ben vernietigd toen ik jou zag: naakt.
Wat rest is schamele literatuur.
In woorden die ik niet durf uit te spreken.




Dank voor deze twee literaire cadeautjes. Fijn weekend Theodor!
Bedankt weer voor deze cadeautjes/ bij schoonheid ( zoals laatst bij Brancusi) heb ik totaal niet de behoefte woorden te geven aan de ervaring misschien is dat een schrijverstic. Over empathie; wacht met kloppend hart op het verschijnen van suicidal emapthy van Gad Saad