
Lieve P.,
Het regent in Parijs, maar toch vind ik het er fijn. Ik hou me schuil in musea, cafés en brasserieën – en uiteraard in mijn hotelkamer – en geniet van de status van rups in mijn zelf gesponnen cocon. Misschien zijn er rellen in deze prachtige stad, ik merk ze niet.
Je kent de treurige redenen waarom ik hier ben – en ik weet nu zeker dat ik niet had moeten gaan; vriendschap bestaat niet, zij is liefde zonder seksualiteit en ze vervuilt snel als je haar niet ververst. Maar goed, M. rust in een mooi graf, bedekt onder een laag mooie woorden en natte aarde waar alleen geen tranen op zijn geplengd. Toen ik aan het graf stond en mijn hoofd boog, rook ik gif dat uit alle uitgangen van de familie wasemde. Mijn ziel voedde zich met bitterheid. Je weet hoe ik M. tevergeefs geholpen heb en hoe ik mij verraden heb gevoeld, en ik dacht dat de dood wat zoetheid in mijn gemoed zou brengen, maar verraad los je niet zomaar op met wat woorden van suiker. Ook ik walmde van het gif.
Enfin. Men zal spuwen op mijn graf – wie zei dat ook weer?
Parijs is wederom in de ban van het communisme. In tijdschriften en op de televisie wordt mei ’68 herdacht en vergeleken met de rellen van nu. Net als acht jaar geleden toen er ook rellen waren. En de Franse journalisten hebben wederom geanalyseerd dat Marx bij de dames en heren studenten erg populair is. Nee, natuurlijk niet het communisme van Rusland, maar het Echte Communisme. Tja. Het communisme is een mooi idee voor machines. Niet voor mensen.
Ik ben overigens niet blind en zie hoe duizenden arme sloebers hier door Parijs dwalen. Het is verschrikkelijk. En je wilt niets liever dan al die duizenden helpen, maar je ziet ook dat hulp bieden iets onmogelijks is en niets oplost. Wat moet je doen? Geld geven? Hoeveel? Een huis geven? Waar? De Franse studenten zien, net als de Nederlandse, ‘het communisme’ nu als oplossing. Pak het geld van de rijken, en geef het aan de armen.
Als de rijken tachtig procent van hun geld mochten geven om van al het gelazer af te zijn, zouden ze dat misschien best wel willen doen. Maar niemand is dan van het gelazer af. Vluchtelingen blijven komen, misschien zelfs meer. ‘Het marktdenken werkt niet,’ lees ik. Oké, we stoppen ermee. Weg met het kapitalisme. En dan? Waar halen we het geld vandaan? Kijken die jonge communisten wel eens naar de macht van China? Wat denken ze dat er momenteel in China gebeurt?
De Jonge Pioniers doen hun best maar.
‘Weest bereid!’
In Parijs stikt het trouwens van de Chinezen. En iedereen houdt terecht van ze. Ze zien er mooi uit. Hebben dure kleren aan, geven geld uit als water en zijn bovenal vriendelijk. Ze maken geen lawaai en geen rotzooi. Twee asielzoekers geven bonje in het land, twee miljoen Chinezen binnen de poorten en je kunt tien universiteiten openen, tweehonderd warenhuizen, dertig ziekenhuizen en dan krijgt iedereen nog wat geld toe. Je hebt alleen zelf niks meer te zeggen.
Wist je dat twaalf procent van de Amsterdamse bevolking uit Chinezen bestaat? En je zult ze niet vertegenwoordigd zien in de politiek.
Had ik trouwens al verteld dat ik zelf voor een deel Chinees ben? En ook joods. Ik zit altijd goed. Nou, of juist niet.
Ik ga morgen weer terug naar Amsterdam.
Dan stap ik weer in de trein van Ergernis naar Cynisme.
Een leuk ritje, trouwens.
Kort verhaal
Leven
Ze lachte mee met haar vriendinnen, van wie er niet één wist dat ze zwanger was.
Ze hoorde de opschepperige verhalen over vrienden en vriendjes die ze hadden gehad en dacht: “En ik moet een moord plegen.”
“Wat is er, Lies?” vroeg een vriendin die iets had opgemerkt.
“Niks… Ik moet gewoon lachen.”Ze kreeg nog een wijntje aangeboden en twijfelde opeens.
“Wat krijgen we nou, Lies?”
“Ik ben misselijk.”
“Misselijk?”
“Ja…”
“Ben je soms…”
“Nee, nee… Ik ben juist ongesteld.”
Ze nam afscheid en fietste naar huis.Toen ze in bed lag, voelde ze twijfel. Het was onmogelijk om een kind te houden; ze had heel andere plannen met haar leven.
Ze kreeg een telefoontje. Hij was het.
“Wat is er?” vroeg ze.
“Eigenlijk niets,” zei hij, “maar je weet dat ik… en jij ook… Het zou niet goed zijn. Ik bedoel… Ook voor hem of haar niet.”
“Hem of haar…” herhaalde zij.
“Ja… We weten het geslacht toch nog niet?”
“Nee… dat weten we niet.”
Ze merkte dat ze, hoewel er nog absoluut niets te zien was, toch haar hand op haar buik had.
“Wat is er?” vroeg hij. “Twijfel je?”
“Het is moeilijk.”
“Hoe bedoel je? Je hebt die pillen. Die wekken bloedingen op…”
“Dat is het niet,” zei ze. “Ik wil er nu niet over praten.”
“Hoezo niet? We hebben er heel lang over gepraat.”
“Dat weet ik… Maar ik vind het gewoon moeilijk.”
“Ik hou van je.”
“Ik hou ook van jou,” zei ze.
“Maar als jij een kind krijgt…”
“Ons kind!” onderbrak zij hem.
“We hebben geen kind! Waarom zeg je nu ‘ons kind’? Twijfel je?”
“Misschien.”
“Je moet niet twijfelen. Ik kan me geen kind permitteren. We moeten nog afstuderen, we moeten nog…”
“We moeten nog wat?”
“Leven!” zei hij.
“Leven…” Ze zei het toonloos.
Hij zei even niets. Ze hoorden elkaars ademhaling. Toen zei hij: “Wat is er met je gebeurd?”
“Niets… Ik ben zwanger.”
“Als je wilt, ben je over een paar dagen niet zwanger meer.”
“Dat weet ik. Ik moet aan dat idee wennen.”
“Kan ik iets doen om je twijfel weg te nemen?”
Ze merkte dat ze niet durfde te zeggen wat ze dacht.
“Ik wil slapen,” zei ze.
“Zal ik bij je komen slapen?”
“Nee.”
“Waarom niet?”
“Omdat ik wil slapen.”
Opnieuw waren ze allebei stil. Toen zei hij: “Als je het kind laat komen, kan ik natuurlijk niet meer van je houden.”
Ze liet de zin even hangen en herhaalde langzaam: “Als je het kind… laat komen… kan ik natuurlijk niet… niet van je houden.”
Ze drukte hem weg.
De column van Koos
LE E S: DE T R UC V A N F E R D I N A N D H A N I A




Mijn complimenten voor uw prachtige korte verhalen (en ook voor De trip van Ferdinand Hania). En geef Koos een goede aai namens mij.
Echt wat hou ik veel van Koos.