Spijt... bittere spijt
Over een fysieke samenzwering
Ha Willem,
Ik had vroeger een oom (een ‘anak piara’, in ons Indië een familielid dat geen echte familie was) en die vertelde me steeds iets nieuws.
Hij zei bijvoorbeeld: “De aarde draait om haar eigen as in 24 uur. Maar zou het niet handiger zijn als we zouden zeggen: de aarde draait in 100 uur om haar eigen as? En dat we alles daaraan aanpassen?’’
Ik vond het best, maar oom nam zichzelf bijzonder serieus.
Zo zei hij ook: “Een week kent zeven dagen. Waarom geen acht? Is veel handiger.’’ En ook: “ We tellen tot 10, maar ik denk dat het slimmer is als we tot één tellen.’’
In dat laatste had hij geloof ik gelijk.
Oom was vrijmetselaar en wilde mijn vader daartoe ook overhalen, maar dat lukte niet. Mijn vader was een gereformeerde die niet zijn geloof had verloren, maar wel de overtuiging dat God bestond.
Oom werd een mysticus. Nadat zijn vrouw was overleden ging hij naar India. Daar vond hij het niet. Toen ging hij naar Amerika. Daar vond hij het wel. Hij kwam terecht bij hippies die meenden dat dogma’s bestonden uit een complot. Elk dogma. Hij schreef mijn moeder: “Het kan best zijn dat God bestaat, maar dan is hij een samenzwering. En als Hij niet bestaat, dan is dat ook onderdeel van een complot.’’
Mijn moeder reageerde: “Als hij in godsnaam maar uit het gesticht blijft.’’
Ofschoon hij redelijk jong stierf (zestig jaar, in een zelfgebouwd houten huis in Californië met een zwarte vrouw wier leeftijd hij niet wist en zij ook niet) vroeg mijn moeder aan zijn weduwe hoe het hem was vergaan.
Zij kreeg vijf (!) jaar later antwoord. We kregen - in een keurig doosje - niet zijn as, maar een beetje aarde waarop zijn as was uitgestrooid. De weduwe zelf kon niet schrijven dus had een onbekende er een briefje bij gedaan: “Op familie van deze aarde heeft zijn as gelegen die door de wind werd meegenomen en zo werd opgenomen door de natuur. Wij geven nu deze aarde aan zijn familie.’’
Wij staarden maar naar de inhoud van dat doosje en de brief. Was dat nou as of niet? Of was het gewoon aarde? Wat was het eigenlijk? Het rook naar niets. Mijn moeder vond het maar eng - ik heb geen idee waarom - en heeft na een jaar het doosje weggegooid. Gewoon in de prullenbak die we toen nog hadden.
Maar nu het wonderlijke. (En je weet dat ik niet in wonderen geloof.) Onlangs vond ik op het Waterlooplein precies zo’n doosje. Nou ja, bijna precies zo. Ik overwoog een koop. Tot ik het openmaakte. (Nu komt het wonderlijke.) Op de bodem had iemand een oog geschilderd. Eén oog. Dus als je het opende, werd je meteen aangekeken.
Ik heb het niet gekocht.
Daar heb ik toch spijt van.
Nu vraag jij je af waarom ik je dit allemaal vertel. Omdat jij me gisteren onthulde dat je spijt had van het feit dat je - net als ik - je opleiding niet had afgemaakt. Dat kan mij nou echt niets schelen. Maar ik heb wel er wel spijt van dat ik dat doosje niet heb gekocht. Is spijt ook niet een complot? Hoe komen we er bij dat je spijt moet hebben van het niet afmaken van een opleiding? Ik heb spijt van de meiden die ik niet heb geneukt, maar ik heb ook spijt van dames met wie ik wel naar bed ben geweest. Ik heb net als jij nog steeds spijt van bepaalde zaken, maar jouw spijt is anders dan die van mij. Spijt is een noodzakelijk mankement in onze geest. Hadden we er geen last van dan namen we constant de verkeerde beslissing. Wie geen spijt kent, bespoedigt zijn dood. Spijt is de natuurmethode om iets te leren. “Godverdomme, ik heb een druiper opgelopen! Ik heb spijt dat ik naar de hoeren ben gegaan.’’ Spijt is misschien wel het oog van God.
Ik heb nog een mooi einde van het verhaal over mijn oom. Mijn moeder vroeg of zij de papieren mocht hebben, of zien, of lezen, die hij had geschreven. Ze kreeg na een jaar (blijkbaar had mijn oom gezegd dat een jaar eigenlijk een dag is) een brief terug dat men de op schrift gestelde nalatenschap van mijn oom, geheel conform zijn wens, had verbrand. Onderaan de brief stond: “Het vuur is alles.’’
Theodor
Literair verhaal
Gelukkig
Op de dag van haar overlijden zei haar moeder: “Zorg goed voor je vader. Hij kan niets.’’
Maar nu - een jaar later - was haar vader opnieuw verliefd geworden. Op de allerstompzinnigste en lelijkste vrouw in zijn beperkte omgeving.
“Ik vind het hartstikke leuk, pap.’’
“En je hoeft je geen zorgen te maken over je erfenis, want ik verander niets aan mijn testament.’’
“Al zou je haar alles willen nalaten, pap… Maakt niet uit.’’
“En we gaan ook niet trouwen.’’
“Dat kan me ook niets schelen, pap…’’
Ze probeerde de toon licht te houden en ze meende dat ze dat kon onderstrepen door haar mondhoeken hoog te houden. Maar hoe ze ook keek, ze zag steeds dat koffertje haar geestesoog pijnigen. Ze had het gezien in de slaapkamer van haar vader.
“Hoe oud is ze eigenlijk, pap?’’
“74,’’ zei hij.
“Net zo oud als jij.’’
“Ja, ik ben zes maanden ouder.’’
“Ach…’’
Dat stomme koffertje. Zo’n lullig ouderwets ding. Wat zat daar in? Onderbroekjes? Een tandenborstel voor een kunstgebit? Een extra zakje met geneesmiddelen? Toen ze haar moeder naar het ziekenhuis bracht had die ook zo’n koffertje. Maar daarin zat nog een ingelijste foto van de hele familie.
“Zij is ook getrouwd geweest… Tien jaar geleden ging haar man… En ze heeft een beetje treurige geschiedenis achter de rug… Een dode zoon… Ellendig allemaal.’’
“Ja, ellendig.’’
En toen kwam de zin die ze niet wilde horen.
“Ik had niet gedacht dat ik ooit nog zo gelukkig kon worden.’’
“Wat fijn… dat je zo gelukkig bent…’’
“Ja…’’ zei haar vader.
“Ja…’’
“Er is ons misschien niet veel tijd gegeven nog… Je weet het niet.’’
“Nee.’’
“De liefde is ook anders.’’
“O ja? Hoe dan?’’
Vader haalde zijn schouders op.
“Het gaat natuurlijk meer om … ja, hoe moet ik dat nou zeggen…’’
“Zeg het niet!’’ dacht de dochter.
“Het gaat meer om… tederheid… Dat er iemand is om wie jij geeft en die om jou geeft… Snap je.’’
“Ja, ik snap het heel goed,’’ zei ze.
“Ik zeg tegen haar… We moeten genieten van de tijd die ons nog rest.’’
“Ja natuurlijk…’’ zei ze.
Het leek wel of zij het liefdesverdriet voelde waarvan ze wilde dat hij er nog iets van liet blijken.
“Ze wil heel graag Kees en Menno zien,’’ zei haar vader.
“We komen binnenkort wel langs.’’
Ze zwegen beiden.
Plotseling vroeg haar vader: “Hoe gaat het met Peter?’’
“Goed…. hij maakt keurig de alimentatie over en… gewoon… hij komt om de week in het weekend Kees en Menno halen. Die zijn dol op hem en hij op hen.’’
“En die vriendin van hem?’’
“Daar zijn ze ook dol op… We hechten allemaal aan goede verhoudingen.’’
“Dat is goed… dat is heel goed.’’
Toen stond ze op.
“Ga je nu al? Sandra komt zo.’’
“Helaas pap… Je kleinkinderen komen zo thuis.’’
“Ja, snap ik, snap ik, jammer.’’
Ze kuste haar vader, zei dat hij in z’n stoel kon blijven zitten, liep langs de slaapkamer, sloot daarvan de deur en eenmaal buiten begon ze met haar moeder te praten.
“Sorry mam… Maar het gaat goed met hem… Helaas.’’
Ze schudde haar hoofd. Ze was bang dat haar moeder haar zou kunnen horen.
De column van Koosje
NIeuw: De Beste Roman Van Theodor
“Ja, dit is je beste roman, want ik heb echt moeten lachen, ik heb ook een traantje moeten laten en ik vroeg me constant af: is dit nu echt gebeurd of niet? Meesterlijk.’’






"Spijt is misschien wel het oog van God." Heel mooi!
Weer zo'n Heerlijke Holman!