
Lieve T.,
Soms vraag ik me af of ik als schrijver moet getuigen van deze tijd. Eigenlijk wil ik dat niet, maar het gaat vanzelf. Een beste vriend wordt vermoord door een fanatieke islamiet, om de hoek wapperen de Palestijnse vlaggen, Joden worden bedreigd, de meeste kranten zijn niet meer te vertrouwen en zelfs de publieke omroep liegt en lastert.
Toen ik daarnet Koos uitliet, was er iemand op een fiets die keihard ‘fascist!’ tegen me riep. Was het bedreigend? Viel mee. Was het vervelend? Ja, want ik kon niets terugzeggen: hij fietste door. Maar als hij was gestopt, was ik bang geweest. Ik heb wel judo gedaan, maar dat was eenenzestig jaar geleden toen mijn botten nog buigzame twijgen waren en mijn spieren sterk. Ik had dus de pest in dat ik de fietser niet van repliek had kunnen dienen, maar was opgelucht dat hij me niet had aangevallen.
Zo wandel ik momenteel constant door het leven: met de pest in mijn lijf dat ik niets doe, maar in het besef dat ik fysiek niet in staat ben om iets te ondernemen als dat zou moeten. Zo rijg ik tegenstrijdigheden in mijn leven aan elkaar, die als een lasso om mijn nek voelen.
Een lasso, zeg je? Ja, alsof ik gedresseerd moet worden, terwijl ik eigenlijk anderen wil africhten. Ik ben een oud paard dat moet leren rennen. Ik zou dus niet op mij wedden, mocht ik per ongeluk in een wedstrijd terechtkomen.
Jij schreef me dat je bang bent je schoonheid te verliezen. Schoonheid… Dat is iets dat nooit langer duurt dan een paar seconden, of een leven lang. Als ik denk aan de prachtige S., die al tien jaar dood is, zie ik haar voor mijn geestesoog niet zoals ze was aan het eind van haar leven, maar zoals ze bewoog en klonk toen ik verliefd op haar werd.
Hetzelfde geldt voor mijn ouders. Het zijn nog jonge mensen wanneer ze tegen mij praten, terwijl ze al meer dan dertig jaar dood zijn. Ze zeggen dingen tegen mij alsof ik nog een kind ben, terwijl ik bijna de leeftijd heb bereikt waarop zij stierven.
Je verliest je schoonheid dus niet. Niet voor mij. Niet voor degenen die van je houden. Aardig van mij, hè? Maar ik meen het.
Het magische van schoonheid is dat zij snel verdwijnt, maar in zekere zin beklijft. Zij verandert zelfs in haar tegendeel, terwijl zij hetzelfde blijft. Ik probeer het mezelf wel eens uit te leggen, maar dat mislukt iedere keer weer. Je gaat houden van de rimpels op de huid die je liefhad.
Deze tijd ontbeert elke schoonheid. Door de straten loopt de agressie als een roedel wilde honden, maar de honden die er daadwerkelijk lopen zijn allerliefst. Amsterdam dondert in elkaar. Ik struikel over de stoep, waar de wortels van de bomen de tegels omhoogduwen. De kades staan op instorten en de ratten doen niet eens meer hun best om weg te rennen. Ze zijn er te vadsig voor en richten gigantische diners aan met duiven, meeuwen en kraaien.
Ik mag de vergelijkingen niet maken, maar ik zie overeenkomsten tussen sommige mensenkinderen en ratten, duiven, meeuwen en kraaien. Kraaien zijn mij trouwens het dierbaarst. Je merkt aan alles dat zij de intelligentste zijn.
Zelfs ratten bevatten een zekere schoonheid, vergeleken met ons. Ze lijken zich constant bewust van de afschuw die wij voor hen koesteren. Daarom reageren ze zo eigenzinnig, nerveus en paniekerig.
Wij zijn het ongedierte, T. Wij!
Deze tijd, lieve T., kent de schoonheid van het verval. Je moet houden van geweld, agressie en dood. Je moet vernietiging toejuichen. Het is het stof waar fascisme van is gemaakt.
Je vraagt me of ik de huidige Nederlandse politiek niet ‘vreselijk’ vind. Het antwoord is dat de huidige buitenlandse politiek me meer zorgen baart, omdat ik bang ben dat alles instort. ‘Zorgen baart.’ Ik zie inderdaad een baard van zorgen voor me.
Mijn geliefde Frankrijk is bijna failliet, evenals mijn geliefde Italië. Wat gebeurt er in godsnaam in en met mijn geliefde Engeland? Wat is er in dat gezellige België aan de hand? En in Spanje? In Rusland, waar ik gelukkig was? In Oekraïne, waar ik nog gelukkiger was? Is men echt in het autocratische China gelukkig?
‘Dat zal ze leren, de mensheid!’ Nee, hoor. Ze leren niets.
Toch zie ik schoonheid tussen de stront: de schoonheid van een lijk, de schoonheid van de vernietiging die een antwoord is op haat. En dan weet ik wat voor domme schlemielen we zijn. We weten totaal niet hoe te leven en doen maar alsof we elkaar liefhebben, maar dat is schijn. We veranderen in korte tijd in reptielen: een omgekeerd darwinisme.
Je merkt dat je me vandaag op een slecht moment hebt getroffen. Het spijt me.
Liefs,
Theodor
Kort verhaal
Vader “Denk maar aan een tijd dat je gelukkig was,’’ zei ze tegen haar vader. Die zweeg, deed zijn ogen dicht en zij keek naar hem en wilde hem kussen, maar durfde dat om de een of andere reden niet. Opeens deed haar vader zijn ogen open. “Ik weet…’’ zei hij “Wat weet je?’’ vroeg ze. “Ik weet niet…” Hij zweeg en keek naar boven, naar het plafond, of daar de woorden waren die hij niet kon vinden. Ze vermoedde dat haar vader wilde zeggen dat hij niet wist wie ze precies was. Maar net op dat moment zei hij, zonder haar aan te kijken: “Marjan…” “Dat ben ik, pap.’’ “Ik weet niet… Waar iedereen is.’’ Aangezien haar broer dood was, haar moeder dood was en zijn broer dood was, herhaalde ze: “Denk maar aan een tijd dat je gelukkig was.’’ Haar vader sloot zijn ogen weer, deed ze nogmaals opeens open en zei, terwijl hij nu het plafond scherper probeerde te zien: “Ik weet niet waar ze zijn.’’ “Weet je nog hoe het vroeger was, pap. Kerstavond. Dat je ons voorlas?’’ “Ik heb pijn maar ik heb ook geen pijn…’’ “Wat bedoel je, pap?’’ “Pijn… is weg…’’ “Waar is hij weg?’’ “Overal…’’ “Ben je verlamd?’’ “Waar is iedereen?’’ vroeg haar vader zachtjes. “Ik ben hier, pap. Maar voel je je benen niet meer, of je buik, of maag, of…” “Ik voel m’n hoofd niet meer.’’ Even wist ze niet of ze moest lachen. Maar ze zag dat hij geen grap maakte. Hij wilde misschien iets anders zeggen. Ze gaf hem een kus op zijn voorhoofd. “Voelde je die, pap?’’ “Ja, poes.’’ Haar moeder was “poes” maar dat verzweeg ze. Waarschijnlijk bedoelde hij dat hij zich niets meer kon herinneren. Is herinneren niet een vorm van voelen? “Op kerstavond las je altijd een verhaal voor,” fluisterde ze dichtbij z’n oor, “de hele kamer was donker, er brandde alleen een kaarsje bij jou en het boek dat je voorlas. We zaten allemaal aan tafel met een bakje nootjes en chips…’’ Haar vader leek wel te luisteren maar het niet te begrijpen. Daarom stopte ze. Na een halve minuut hoorde ze hem snurken. Er kwam een verpleegster binnen. Die keek naar haar vader en naar de meters en zei: “Het gaat niet beter… Ik raad u aan vanavond te blijven.’’ “Hij zei dat hij niet meer voelde.’’ De verpleegster reageerde niet direct, pakte nog eens zijn pols en zei: “Dat zou best kunnen… Dat zou best kunnen… Gaat u maar naast hem zitten.’’
De column van Koos

Lees De Truc van Ferdinand Hania.
Mooie recensies. Beleefd aanbevolen
.




O wow. Theodor. Zo raak en tragisch. Maar ook mooi.