Red mijn ziel
van de valse lippen
Lieve oude nimfijn van mijn leeftijd,
Dit is nou al de tweede keer en binnen drie maanden: ik ga eerst naar het Anthony van Leeuwenhoek ziekenhuis om een vriend te bezoeken, neem na een uur afscheid en reis vervolgens naar begraafplaats Zorgvlied om een bloem op een kist te leggen.
Ik was vroeger erg bang voor de dood en kanker, maar tegenwoordig vind ik dat ik niet meer het recht heb om daar angstig voor te zijn. Het is te egocentrisch. Toen ik naar de kist aan het kijken was terwijl er een muziek speelde, was mijn Andere Ik met mij op een rustige manier aan het converseren. “Theodor, waarom ben je toch zo angstig voor Het Laatste?’’
“Omdat ik nog boeken wil schrijven, van mensen wil houden, dingen wil zien…’’
“Waarom?’’
“ Waarom? Omdat ik nog niet klaar ben… Ik voel mij mislukt. Ik word niet gezien, ik word niet opgemerkt!’’ (Ik ben dolblij dat niemand kan zien en horen wat ik denk, want dit zijn wel zinnen waarvoor ik me schaam.)
“Denk je, Theodor, dat dat op jouw leeftijd nog lukt? En wat is dat voor iets kinderachtigs dat je opgemerkt en gezien wil worden?’’
“Ik wil het proberen. Ik zou dan minder denken dat ik in dit bestaan heb gefaald.”
“Het zal weer mislukken…Je hebt je tijd gehad. Het is nou aan een andere generatie. De Tijd is je aan het losweken.’’
En zo vulden mijn gedachten de Aula in Zorgvlied.
Er zijn vrolijker dagen.
Op weg naar huis zat ik in lijn twee naast een man die zich niet kon beheersten, mij herkende en ongevraagd zijn wereldbeeld aan het mijne wilde toetsen met als oogmerk om mij eens flink de les te lezen. Wat ik dacht van Oekraïne. Wat ik vond van Israël.Wat ik vond van Trump. Ik wist elke vraag handig te omzeilen met tachtig procent glimlach en twintig procent algemeenheden in de trant van: “Het is een chaos in de wereld. Men doet maar. Men voert maar oorlog of het niets kost.” Mensen willen je niet met rust laten, omdat ze hun eigen onrust willen begrijpen. Ze willen antwoorden en je weet dat geen antwoord ze zal bevallen.
Ik heb al genoeg ruzie in mijn leven en genoeg geheim verdriet. Verdriet is de overgave aan de machteloosheid, een witte vlag, je hebt verloren en je vijand zal ooit jou te pakken nemen.
Vermoedelijk heb ik te veel bittere dranken in mijn leven gedronken en nu strijd ik tegen mijn eigen bitterheid, maar ik ben ook die strijd aan het verliezen. Alle vrolijkheid is vals! Zo! Lees die zin nog maar eens over. Dat doe ik ook, en eigenlijk vind ik hem onzin. Maar zo is het nu eenmaal.
Gek is dat, ik ben een nieuwsjunk, maar ik lees de kranten niet meer, ik luister alleen naar podcasts en ik kijk op mijn televisiescherm naar films - veel films van vroeger, want die stellen mij gerust. Ik dacht dat ik conservatief moest worden, maar daar heb ik het karakter niet voor. Daar zal ik het nog wel eens met je over hebben. Ik wil vroeger, maar ik heb een hekel aan vroeger - daar komt het in feite op neer. Ik hoop dat ik je mail, die bestond uit één zin (“Hoe gaat het met je?”) naar believen heb beantwoord. Ik heb altijd al de absurditeit van het bestaan gevoeld, maar tegenwoordig wel in het kwadraat. Rare dialoog met kleinkind: “Opa, denkt je dat het oorlog wordt?’’ (Ik denk dat dit al de vijfde keer is dat hij me dit vraagt wat ik ook afschuwelijk vind.)
“Dat denk ik niet, maar we gaan denk ik wel naar een grote crisis. En het zou best kunnen ….’’ En toen stopte ik, want ik wilde zeggen: “En het zou best kunnen dat jij in het leger moet.’’ Maar ik wilde en kon die zin niet uitspreken. Dus ik maakte ervan: “En het zou best kunnen… dat het met een sisser afloopt…’’ Klonk ongeloofwaardig… En ik dacht: wil ik meemaken dat hij moet vechten? Nee. Maar wat betekent mijn nee? Mijn nee betekent dat ik dan misschien wel weer een witte vlag moet hijsen. Misschien de laatste.
Lees De Trip van Ferdinand Hania. - de goede recensies stapelen zich op.
De advertentie
Hij wist dat er soms verdriet was dat hij met niemand kon delen.
Die overlijdensadvertentie in de krant bijvoorbeeld.
“We moeten nog wat boodschappen doen voordat we naar ons huisje gaan,” zei zijn vrouw.
“Ja, maak maar een briefje.”
“Nee, ik wil mee… Ik moet er ook eens uit.”
Hij hielp haar zich in haar jas te schuiven en haar zachte schoenen over haar sokken aan te trekken en begeleidde haar naar de elektrische rolstoel die in de gang stond.
Die advertentie… Hij probeerde te bedenken wanneer ze elkaar voor het laatst hadden gesproken, maar zijn vrouw praatte erdoorheen.
“Zullen we vanavond wijn drinken? Jij wilt toch wel wijn?”
“Ja, ik wil ook wel wijn. Maar mag jij wel wijn met al die geneesmiddelen…?”
“Nou, één glas mag wel…”
Hij wilde iets liefs tegen haar zeggen, maar dat mislukte.
“Wat is er?” vroeg ze.
“Niks. Hoezo?”
“Je lijkt afwezig…”
“Nee, ik denk na over wat we moeten kopen.”
“Ach, niks bijzonders. Wijn, melk, koekjes die jij lekker vindt, soep… Dat is het wel zo ongeveer.”
Hij knikte en ging achter haar rolstoel staan.
“Je komt er wel bovenop,” had hij in dat laatste gesprek gezegd.
Dat was dus niet zo. Vlak voordat ze ophingen had hij gezegd: “We hebben het fijn gehad.”
“We hadden het fijner kunnen hebben,” had zij geantwoord.
Hij schaamde zich. Hij was nog een antwoord begonnen met: “Maar ik had haar toch niet…”
“Jouw keuze,” had ze gezegd.
“Je loopt weer te dromen, schat…” zei zijn vrouw.
“Ja… sorry…” Hij luisterde naar het gesnor van de rolstoel. Hij zou nu weduwnaar zijn geweest. Maar dat was nu iemand anders. Iemand die hij niet eens haatte. Hoewel…
“Wat heb je toch?” vroeg zijn vrouw.
“Ik denk dat ik een migraine voel opkomen.”
“Laten we de boodschappen dan maar snel doen.”
Ze bewogen als schildpadden door de supermarkt. Soms hield hij iets voor haar neus en dan schudde ze haar hoofd of knikte.
“Wat is alles duur geworden,” zei ze.
“Ja, het leven is duur,” zei hij.
Was hij laf geweest of correct? Had hij de verkeerde keuze gemaakt, of juist de goede? Zijn vrouw leefde nog. Maar leefde hij? Was hij niet liever weduwnaar geweest van de vrouw van wie hij echt hield?
“Wat doe je nou?” zei zijn vrouw.
Hij keek naar de grond. Hij had een fles wijn laten vallen; hij had niet eens gemerkt dat die uit zijn handen was gegleden. Hij keek naar de rode vlek op de grond. Naar de scherven. Hij merkte hoe zijn handen trilden.
Mededeling:
Ik ga op vakantie, want ik ben moe. Maar evenals vorig jaar ben ik van plan een feuilleton te schrijven. Ik begin ergens en zie wel hoe het verder gaat. Dat kan totaal mislukken, of te melig worden, of ik stop gewoon als ik er niet uitkom. Vertel vooral wat u ervan vindt. Ik begin ergens aan het einde van de volgende week als ik op mijn plaats van bestemming ben. Groet.






