Radicaliseer...niet
De reis naar mijn bubbel
Aan B.,
Wat een treurige mail was dat, B. Een poes verliezen is al erg, een poes en een vriendin verliezen is een catastrofe. En dat binnen twee weken. Het is net of de dood niet uit je huis wil verdwijnen, dus ik raad je aan de ramen goed open te zetten, kaarsen te branden en toch maar knoflook en een kruis naast je bed te zetten. Of is dat tegen vampiers? Nou ja, kan geen kwaad, al denk ik dat de dood zich door niets laat tegenhouden. (Hier heb je ook helemaal niets aan, bedenk ik, maar ja, ik wil toch iets van troost bieden.)
De rouwkaart die ik per mail ontving ontroerde me omdat je een foto had gebruikt van D van, ik schat, vijfenveertig jaar geleden. In haar ogen zag ik het geluk omdat ze met jou was, de verwachting dat ze binnenkort moeder zou worden en de hoop dat jullie kind geen oorlog zouden meemaken zoals jullie ouders en vooral jullie grootouders wel hadden meegemaakt. Tja… Jullie kinderen zitten nu in Israël; ik denk dat zij nu dezelfde hoop hebben voor hun kinderen.
Ik wil, zoals je vroeg, graag binnenkort herinneringen komen ophalen en dan nogmaals mijn spijt uitspreken dat ik niet op de begrafenis kon zijn.
Oorlog is voor ons een moeilijk onderwerp. Ik weet hoe erg D. 7 oktober vond en ik bewaar in mijn hart haar bemoedigende woorden nadat ik bij “de krant waarvan ik de naam niet zal noemen” was ontslagen.
En dan opeens is haar stem weg.
En dat op een moment dat overal “genocide” wordt gezongen en Israël keer op keer vergeleken wordt met nazi-Duitsland, de IDF met de SS en de bombardementen met gaskamers. Het is om misselijk van te worden en ik zeg je, B: ik wil niet radicaliseren, maar ik kan niet anders. Onze argumenten worden niet gehoord. Integendeel. Mijn persoonlijkheid en mijn literaire kunst worden langs de lijnen van mijn opvattingen gelegd, zo van: wie zulke standpunten heeft kan per definitie geen goed boek schrijven. Dat is letterlijk tegen sommige van mijn kennissen zo gezegd. Dus ja, wat moet je dan? Dan ga je naar bewijzen van je argumenten zoeken en die zie je steeds meer. Rapporten die bewijzen dat Israël geen genocide pleegt, artikelen waarin wordt gesteld dat juist Hamas genocidale opvattingen heeft. Je luistert naar podcasts die overtuigend bewijzen dat jij gelijk hebt, etcetera etcetera. Ondertussen word je kwader en kwader, worden er in je omgeving overvallen en kraken gepleegd, meisjes verkracht en vermoord. Ondertussen probeer ik uit alle macht “genuanceerd” te zijn, maar steeds vaker wil ik dat mijn woorden de kracht van mitrailleurs hebben. Wanneer ben je nog genuanceerd en wanneer niet?
Maar je ziet een andere partij, de andere kant, de kant die voortdurend van zichzelf zegt dat ze aan “de goede kant van de geschiedenis” staan, die dat niet probeert. Ik besef dat ik momenteel onaangenaam gezelschap ben, maar dat krijg je als niemand met je wenst om te gaan. Ik had het idee dat D. me begreep. Helaas ben ik te sociaal onbegaafd en onhandig om je te laten beseffen hoezeer haar dood me spijt. Maar in de stilte van mijn werkkamer rouw ik om haar en fluister ik troostende woorden aan jou.
Je vroeg me - iets geheel anders - hoe ik die documentaire over Forum van Democratie vond. Ach, een studentenvereniging uit de jaren zeventig. Ik heb nog meegemaakt dat ze (de studentjes) in de jaren zeventig van de vorige eeuw Die Fahnen hoch zongen, dat ze dronken de Hitlergroet brachten en verklaarden hoe geweldig het nazisme niet was. Ze - de ouderejaars vooral - hadden invloed op de onzekere studenten van zeventien, achttien jaar oud, kuikens, net weg van hun moeder; weliswaar wisten dat ze iets dachten en zeiden dat met taboes was omgeven, ze vonden dat ook stoer om te zeggen en te doen. Zo’n groep die idiote dingen zei gaf verbinding. Ook toen al waren Joden in de minderheid. Het verschil is dat zo’n studententroep geen politieke invloed had, en dat heeft het FvD wel. Wat wij, journalisten en columnisten, moeten doen is constant aanwijzen waar ze racistisch en antisemitisch zijn. Dat deed deze goedgemaakte documentaire. Het toont aan - dat maakte me trouwens wel angstig - dat het fascistische gedachtegoed weer normaal wordt, net als het antisemitische. Dit kan niet anders of het gaat uitlopen op een clash, een burgeroorlog. Die voorspel ik bij deze, al denk ik niet dat dat je troost.
Ik wil er nog twee dingen over zeggen: een democratie moet juist de taboes en niet het vanzelfsprekende beschermen; wat voor de een een taboe is, is voor de ander namelijk vanzelfsprekend. (Snap je wat ik bedoel? Anders leg ik het nog weleens uit.) En twee: de paradox van de democratie is dat het de beste staatsvorm is die sterker wordt door zichzelf constant te ondermijnen.
Tot slot nog iets over Boem, wijlen jullie poes. Ik heb altijd gemerkt hoe ze rond jou en D. drentelde. Als een voegwoord met een glanzende vacht. Alsof ze jullie gesprekken wilde verbinden. In jullie discussies gedroeg zij zich soms als “en” of “omdat” of “als” en “maar.” Vooral als zij zo lief tussen jullie in lag. Dat was de reden dat jij en D. zo van elkaar hielden, Boem zorgde voor een nog inniger verbond tussen jullie, en je verdriet begrijp nu die spinnende lieverd en D. er niet meer zijn.
Ik lijd met je mee.
Theodor
Kort verhaal
Verliefd
Hij was jaloers, maar verborg dat al een tijd. Of beter: hij was verliefd.
“We gaan dus twee maanden naar Frankrijk,’’ zei ze.
“Wat een ontzettend goed idee,’’ zei hij.
“Ja… we gaan kijken of we daar kunnen wonen,’’ zei haar man.
“Sterf alsjeblieft!’’ dacht hij en iets van wanhoop in zijn buik voelde drukken.
“Wonen? Ach… dan zijn we dus geen buren meer,’’ zei hij.
Even keek hij de vrouw aan en zij draaide zich onmiddellijk van hem af.
“Ja,’’ zei de man die hij haatte, “we kunnen ons leven nog veranderen. Met de laptop kan je overal werken. En we willen alletwee al tijden naar Frankrijk.’’
“Maar… voor altijd?’’
“Ja… als het kan!’’
“Hou je niet meer van dit land?’’
“Jawel, maar… We hebben zin in zon, lekker eten, een andere omgeving. We zijn beiden francofiel… En als we niets kunnen vinden… of we vinden het na een tijd niet leuk, dan keren we terug.’’
Hij keek naar de vrouw op wie hij, zoals hij zei “meer dan verliefd was” en begreep waarom ze niet naar hem keek.
“Wanneer gaan jullie?’’
“We gaan maandag weg. En dan reizen we twee maanden rond in het zuiden. Dordogne, Provence, daar in de buurt… en kijken we of we iets kunnen vinden… We hebben een soort route opgekregen van de makelaar… Dan keren we terug en gaan we de eventuele verhuizing regelen.’’
“Ik vind het jammer dat jullie weggaan,’’ zei hij.
“We komen af en toe terug. Frankrijk is dichtbij hoor. En als we gesetteld zijn kom je naar ons…’’
Toen ging de echtgenoot weg en bleven hij en de vrouw alleen achter.
Ze zwegen.
“Ik had het je… Ik vond er niet de gelegenheid voor en…’’ zei ze tegen de grond.
“Maar je wist het al een tijd!’’
Een toen veranderde haar houding.
“Wij hebben geen toekomst. Dat weet je. Jij bent… jij hebt Louise en ik… En we zijn beiden gelukkig met ze.’’
“Ik ben niet gelukkig met Louise en jij niet met hem!’’
“Maar ook niet met jou… Ik zal nooit gelukkig met je kunnen worden.’’
“Wat een onzin!’’
“Je dwingt me allemaal verschrikkelijke dingen tegen je te zeggen. Ik vond je aardig, maar wat we even hadden heeft niks te betekenen. Wat jij voelt voor mij, voel ik niet voor jou en zal ik nooit voor je voelen… Het is allemaal zo banaal. Het spijt me… Even dacht ik dat wij… Maar, het gaat niet en zal nooit gaan.’’
Hij wist het. Ze had misschien gelijk. Ze had gelijk.
“Veel plezier!’’ zei hij tegen haar en hij liep de deur uit. Vijftien meter verder liep hij zijn eigen huis binnen.
“Hee, ben jij al thuis?’’ vroeg hij aan zijn vrouw.
“Zoals je ziet… Er waren weinig mensen bij de dokter.’’
“O… En? Wat zei ze?’’
“Ze wil toch weer m’n bloed laten controleren.’’



Vintage Holman. twee prachtige verhalen op de zaterdagmorgen. bedankt Theodor!
Twee mooie verhalen. Fijn weekend Theodor!