Oude droom
Hoeveel steekjes zitten er precies los?
Ha mooie Pelikaan,
Volgens mij heb ik een bijzonder slecht humeur. Niks lukt. Dat komt, vermoed ik, door de doden die door de lucht vliegen, op takken in de bomen gaan zitten en soms op mijn vensterbank plaatsnemen, en me allemaal verwijten maken om me allemaal verwijten te maken. “Waarom was je niet op onze crematie, Theodor? Waarom laat je M. niets meer van je horen, betekende onze vriendschap dan niets, Theodor?’’ Als ik mijn vader zie (die vliegt meestal een eind met me mee als ik aan het wandelen ben) dan stelt hij steeds dezelfde vraag: “Wat heb je nu eigenlijk bereikt hè? Vertel eens? Wat heb je nu eigenlijk bereikt? Vertel dan? Wat heb je bereikt? Vertel!’’ Weet je wat raar is? Er vliegt hier de hele tijd een koolmeesje rond en ik denk dat dat mijn moeder is. Zij stelt geen vragen maar probeert me gerust te stellen, maar doet dat op een manier waar ik toch droevig van wordt: “Het geeft niet hoor dat niemand naar je wil luisteren, ik luister wel naar je. En het is helemaal niet erg dat sommige dingen niet lukken, wij zijn altijd gewone mensen geweest en weet je, lieve schat, aan uitzonderlijke mensen is altijd een steekje los.’’
“Ja, mam, maar aan mij is een steekje los.’’
“Ja, geeft niet. Als je maar niet denkt dat je uitzonderlijk bent, lieverd.’’
En mijn vader komt dan soms terugvliegen en zegt: “Wees blij dat je niet een echte kunstenaar bent…”
En dan vliegt het koolmeesje weer weg.
Ik heb verdriet, maar ik kan je niet zeggen waarom. Als ik dat ga opschrijven wordt het een zeurbrief, maar ik heb het zwaar. Ik zou best getroost willen worden - ik zeg het maar even.
Vandaag werd ik trouwens wakker met een vreemd voorgevoel. Namelijk dat er in de wereldpolitiek iets ergs gaat gebeuren. Ze gaan of een van de grote leiders vermoorden, of er komt een aanslag. Ik heb wel vaker dit soort voorgevoelens en meestal stelt het niets voor. Maar je weet nooit: eens moet een voorgevoel uitkomen.
De avond voordat Theo van Gogh werd vermoord had ik nog contact met hem. Het was een gemoedelijk gesprek en ik herinner me nog dat ik, nadat het gesprek was afgelopen, glimlachend ging slapen, want Theo had zijn avonturen weer leuk verteld, en hij had moeten lachen om de mijne. (Ik was aanwezig geweest bij een avond van Bart Tromp waar ik had pianogespeeld en gezongen.) Een paar uur later was Theo dood.
Grappig: mijn politieke voorkeur lag toen nog bij de PvdA. De laatste keer dat ik Bart Tromp sprak zei ik tegen hem: “Ik ga VVD stemmen.” Hij knikte en zei: “Ik SP.” Hij was toen een van de grote denkers van de PvdA. Maar ja, dat was twintig jaar geleden. Theo is dood, Bart is dood en beiden zie ik ook nog wel eens door de lucht vliegen en hebben ook de neiging om mij bestraffend toe te spreken. In mijn leven is de politiek een verfrommeld stuk papier geworden dat ik heb weggegooid. Ik bedoel daarmee: politiek is minder belangrijk dan we denken.
Ik heb trouwens weer een hele oude droom gedroomd. Ik was dood en lag in een graf en ik zag C. in het graf kijken met haar nieuwe vriend en ze zei: “Daar ligt niks!’’ En in mijn droom, dus in mijn graf liggend, huilde ik. Toen ik wakker werd had ik tranen in mijn ogen en ik ben Koos gaan uitlaten en kwam toen een koolmeesje tegen en zei: “Mamma, waarom word ik zo gestraft?’’
“Arme jongen,” zei ze en ze kwam op mijn schouder zitten en wreef even met haar snaveltje in mijn nek. Zo gebeuren er veel onverklaarbare dingen.
Zou ik het begin van Alzheimer hebben? Dan schijn je ook depressieve gevoelens te krijgen. Vergeetachtig ben ik al. M’n liefdes vergeet ik, de liefdes die mij hebben verlaten nooit. Zoals je eigenlijk ook bij Alzheimer de doden niet vergeet, maar de levenden wel. Geluk kan je nooit navoelen, maar ellende wordt in je geest geëtst. Ik weet dat ik gelukkig ben geweest, maar de reden weet ik niet meer. En als er al een reden was, was hij onterecht.
Okee, mooie pelikaan, ik hou op met zeuren, ik ga weer door met me door het leven rommelen.
Kort verhaal
Drank
Dat ze soms te veel dronk, snapte ze. Dat iedereen dat wist, begreep ze ook. Dat alles in de soep liep, was duidelijk.
Maar wat ze maar niet duidelijk kon maken was dat die heerlijke drank, die koude pilsjes, die gouden whisky’s waarin de tinkelende ijsklontjes in het glas de mooiste muziek maakten, haar leven kleurde. Misschien wel omdat het ’t enige was wat haar leven kleur gaf. Misschien was het wel het enige wat daarvoor zorgde.
“Dit kan zo niet langer, mam. Ik durf je niet op Milan te laten passen.’’
“Ik wil ook helemaal niet op hem passen,’’ zei ze.
“Het is je kleinkind.’’
“Dat weet ik. Ik hou ook van hem.’’
“Nee, je houdt niet van hem.’’
Misschien was dat wel waar. Hield ze eigenlijk wel van haar dochter die haar elke dag bestraffend toesprak? En haar kleinkind… Houden van was een zin om de boel wat rustig te houden. Milan was een leuk jongetje dat ze niet mocht vasthouden, eigenlijk niet wilde vasthouden en met wie ze weinig had. Ze schaamde zich daar voor. Maar gevoelens had ze nooit in overvloed gehad. Moederlijke gevoelens ook niet. En kinderen waren ergerlijk. Het was niet voor niets dat haar ex-man haar dochter had opgevoed.
“Zoek hulp, mam.’’
“Waarvoor?’’
“Je vernietigt je eigen lichaam en je geest. Je bent vijftig. Je kunt nog een heel leuk leven hebben.’’
“Ik heb een leuk leven,’’ wilde ze zeggen, maar ze wist dat ze niet meer kon beoordelen of dit zo was. Feit was dat ze er tegenop zou zien, wanneer ze een ander leven zou leiden. Wat had ze toe te voegen aan dit bestaan?
“Je moet eerst, dat lees je overal, erkennen dat je een verslavingsprobleem hebt, mam.’’
Het was of de woorden van haar dochter van ver kwamen. Verslavingsprobleem - het was geen probleem want haar verslaving, die zucht naar een glas, was een vorm van geluk, het enige geluk dat ze kende en waar ze, zoals ze zelf formuleerde, “bij kon”, dat voor haar bereikbaar was en dat waarschijnlijk niemand wilde begrijpen.
Het uurtje zat er weer op. Het kleinkind werd in een jasje gehesen en dochter en kind maakten aanstalten om te vertrekken.
“Ik wil wel mee naar de dokter, mam.’’
Ze merkte dat haar dochter naar haar trillende handen keek. Ze zei expres niets.
Opeens ontmoette haar ogen die van haar kleinkind. Milan keek haar met grote, verbaasde ogen aan. Angstige ogen misschien wel.
Ze lachte naar hem, knikte hem toe, wilde vooroverbuigen om hem over zijn bolletje te aaien, maar zag daar toch van af. Het jongetje wendde zijn hoofd af.
“Zullen we volgende week naar de huisarts gaan, mam? Ik maak wel een afspraak.’’
Ze knikte en wist dat ze nooit zou gaan. Het zat erop.De column van Koos
Tot slot
Lees De trip van Ferdinand Hania en De huilende gorilla.
“Je schreef met De trip en De Gorilla twee meesterwerken. Wat heb je gedaan dat je niet besproken wordt? - Hajé Smith.”
“Ik wist niet dat boeken zo konden ontroeren. En wat moest ik lachen.’’- Willem Kloppers.





Mooie pelikaan, mooi verhaal, mooie dag toegewenst.