
Beste K.,
Ja, gisteren was het 22 jaar geleden dat Theo van Gogh werd vermoord. Een dag waaraan ik niet wil denken. Afgezien van het verdriet waar je op zo’n dag tegenaan botst, vraag ik me ook af wat me dan nog meer dwarszit. Het is, denk ik, mijn falen. Mijn eigen naïviteit. Mijn stomheid. Wat heb ik die fundamentalistische islam onderschat. Ik was goed op de hoogte van de aanslagen op de Twin Towers en wist door wie ze waren gepleegd. En toch dacht ik: ach, hier in Nederland zal dat wel meevallen. Hier krijgen meisjes en jongens goed onderwijs, hier is vrijheid, vrijheid van meningsuiting, hier wordt mooie muziek gemaakt, hier houden we van kunst en cultuur. Heerst hier niet een enigszins pacifistische sfeer? Dat zal ze vormen, dacht ik. Maar ik vergiste me.
Die islam wil geen vrijheid, althans niet onze vrijheid. Niet de vrijheid die Theo van Gogh wenste en waarvan hij gebruikmaakte. Dat ik me destijds heb vergist en de islam zag zoals ik het katholicisme of het protestantisme zag, neem ik mezelf kwalijk. Domoor! Elk jaar denk ik daar twee keer aan: op 2 november en op Theo’s verjaardag. Terwijl ik er dus niet aan wil denken.
Eigenlijk doe ik tegenwoordig de hele dag niets, behalve me opwinden. Wil je weten waarover ik me opwind?
Nee hè? Gelukkig. Dan hoef ik het ook niet uit te leggen. Is mijn hart zo wankel omdat ik me opwind, of wind ik me op omdat mijn hart zo wankel is?
De hele dag loop ik hardop te schelden. Teringbende! Klootzakken! Ratten! Tyfuslijers! Kankerklootzakken! Smerige honden! Zo dus. Ik móét het gewoon zeggen. Als ik het binnenhoud, krijg ik last van al mijn organen. Wanneer de wereld kolkt en kookt en wordt overdekt met een mist van kruitdampen, wordt onze taal kleiner. De gebiedende wijs in éénwoordzinnen is momenteel het populairst: Bombardeer! Schiet! Vlucht! Verdwijn! Liquideer! Dood!
Wat ik niet begrijp, is dat jij zo evenwichtig blijft en maar door het leven danst alsof er niets aan de hand is.
Maar weet je waar ik me ook over opwind? Dat ik de ondergang wil meemaken, terwijl ik die vrees. Is dat niet geestesziek? Anders gezegd: ik wil op het dak staan als de bommen vallen (net als Churchill), ik wil kruitsnuiven en de totale vernietiging meemaken, omdat ik het in wezen niet kan geloven en niet wil weten. Ik wil dat ik foute redeneringen maak, maar ik vermoed dat ik goed zit. En daarom wil ik de ondergang meemaken.
Zoals je merkt, spreek ik al wartaal. Mooi woord. De taal van ‘war’, van oorlog, die tegelijkertijd krankzinnigheid uitdrukt. Ach, je weet onderhand hoe mijn troebele hersens werken. Ik vind het vreselijk dat de poëzie uit mijn geest gesneden lijkt. Een merkwaardige lobotomie door het mes van de actualiteit.
Je weet nu hoe het met mij gaat. Ik heb tegenwoordig moeite met alles. Iemand houdt me tegen de grond en hoe ik ook worstel, ik kan niet opstaan. Ik wil de hele dag in bed blijven, maar ik weet niet waarom dat niet kan. Daar kom ik niet achter.
Dus kom op, joh! Stel je niet aan! Zo erg is het niet! Je bent een knappe gozert. Heel anders dan die Theodor. Verspreid liefde en alles komt goed.
Tot ziens,
Theodor
Kort verhaal
Kunstenaar
Door het goede weer kon het huwelijk in de tuin worden gevierd. Ze hadden hem uitgenodigd omdat hij in de buurt woonde, maar toen hij enkele stappen over het tuinpad had gelopen, liet hij zijn hoofd van schaamte wat hangen. Hij zag rijkdom en roem; hij had wel vermoed dat hij die kon tegenkomen, maar toen hij het merkte wilde hij meteen weg.
“Hallo?” hoorde hij opeens.
Hij keek wat geschrokken op en zag Sylvia. Ze was mooier geworden, dus waarschijnlijk ook gelukkiger.
“Hallo,’’ zei hij, “dat is lang geleden.’’
“Twintig jaar denk ik,’’ zei ze.
Hij voelde dat hij wat moest zeggen, maar kon niets beters bedenken dan: “En wat doe jij tegenwoordig?’’
“Ik doe onderzoek aan Kings College in Londen. Aan de lever.’’
“Je bent hoogleraar?’’
Ze knikte, keek guitig en hij had alles verwacht behalve deze ontmoeting.
“En wat doe jij?’’ vroeg ze.
“Ik…werk bij de gemeente… bij jeugdzorg…’’
“O… Ik dacht dat je wel een gevierd kunstenaar zou zijn,’’ zei ze.
Hij glimlachte.
“Ik was niet zo’n goed kunstenaar en…’’
Ze groette een andere man en had even een korte conversatie in het Engels. Het gaf hem de gelegenheid weg te glippen en het bruidspaar te feliciteren. De bruidegom drukte hem een glas champagne in zijn hand zodat hij niet echt weg kon en glimlachend proostte hij met het bruidspaar, ouders, schoonouders en wat buurtgenoten die hem bekend voorkwamen.
Van een afstand zwaaide Sylvia even naar hem en maakte duidelijk dat ze hem nog even wilde spreken.
Ze liep, nadat ze een man en een vrouw een kus had gegeven, naar hem toe. Met een ernstig gezicht.
“Ik heb net gehoord… dat een zoon van je is overleden… Wat erg,’’ zei ze.
Onmiddellijk ging z’n keel dichtzitten. Hij probeerde te verbergen dat hij aangedaan was, maar ze bleef naar hem staren,
“Ik wist niet eens… dat je een kind had,’’ zei ze.
“Ja… Een zoon dus… tien jaar geleden.’’
“Wat naar.’’
“Ja…’’
Twintig jaar geleden… Sylvia had gezegd dat ze verliefd op hem was, dat ze graag met hem wilde trouwen en kinderen wilde. Maar hij wilde dat niet. Althans, het kwam slecht uit. Hij wilde kunstenaar zijn.
“Dan houd ik niet meer van je,’’ had ze gezegd.
Hij snapte dat niet.
“Hoe kan je nu omdat ik nu niet met je wil trouwen, opeens niet meer van me houden?’’
“Zo zit ik in elkaar,’’ zei ze en ze verliet hem. Liefdesverdriet had hem nooit echt verlaten. Tot zijn dood zou hij vermoedelijk met dat steentje in zijn schoen blijven lopen. Zelfs toen hij opeens een model dat voor hem poseerde zwanger had gemaakt en vader werd.
“Heb jij kinderen?’’ vroeg hij.
Sylvia schudde haar hoofd.
“Mooi bruidspaar vind je niet?’’ zei ze opeens terwijl er een microfoon werd getest.
Hij knikte, draaide zich om en liep weg.De column van Koos
Lees DE TRUC VAN FERDINAND HANIA




Zo troebel zijn jouw hersens niet,Theodor. Je schrijft weergaloos mooi!
U heeft de islam niet onderschat, u heeft zich geen voorstelling gemaakt van de stupiditeit van linkse, zogenaamd progressieve, deugmensen. Dit is een volledig zelf opgeroepen, zelf gecreëerd en zelf gekoesterd probleem door een groep mensen die net zo lang het eigen nest bevuild heeft, dat we nu op een hoop stront wonen.