Neerslacht
Het zal mijn schuld wel zijn
Lief Moervosje,
Dank voor je mail.
Heb jij toevallig mijn gevoel voor humor gezien? Ik ben het kwijt. Al geruime tijd trouwens. Misschien ben ik er te slordig mee geweest. Ik ben er neerslachtig van. Of ik ben treurig doordat ik mijn humor kwijt ben, of ik ben mijn humor kwijt omdat ik veel en veel te teneergeslagen ben. Iedereen in mijn omgeving klaagt erover.
“Wat heb je dan?’’
“Dat kan ik niet zeggen.”
“Dat kan je niet zeggen omdat je het niet wil zeggen, of omdat je het niet kan zeggen?’’
“Omdat ik het niet kan zeggen en daardoor ook niet wil.’’
“Maar hoe weet je dan dat je je zo ellendig voelt?’’
“Omdat ik me zo voel.’’
Leg het maar uit. Het valt niet te begrijpen. Het is een soort tor die in de hersenen woont en werkt.
Ik bezoek al vanaf mijn zestiende psychiaters en psychotherapeuten, maar heb er nu schoon genoeg van. Dan maar dood door neerslacht. Ik ga ook niks slikken. Als God bestaat hoeft hij maar tegen me te knipogen en ik ben genezen. Waarom doet Hij dat niet? Waarschijnlijk omdat ik te veel zonde met mij meedraag. Ik weet niet wanneer iets per se een zonde is, maar het moet wel zoiets zijn, anders kan ik het niet begrijpen.
Gisteren heb ik dus weer eens geprobeerd een mooi literair verhaal te schrijven, maar dat lukte niet. Omdat ik er dus geen humor in kreeg en de humor die ik er wel in kreeg vond ik absoluut niet om te lachen.
Ik was eergisteren in het OLVG om T. op te halen en zag toen J. met zijn vrouw. Ze waren een wandelingetje aan het maken. Ze schuifelden, en beiden leken niet meer compos mentis. Dat leverde de volgende dialoog op.
“Hallo… Hoe gaat het met jullie?’’
“Hallo… Willem hè?’’
“Nee Theodor.’’
“Waar?’’
“Ik ben Theodor… Niet Willem… Hoe gaat het met jullie?”
“Ja, goed hoor… Jan, dit is Willem.’’
“Nee, Theodor.’’
“O ja, Theodor.’’
Leeftijdgenoten. Ik besefte dat dit gesprek uit mijn mond had kunnen komen. Twee jaar geleden leek alles nog redelijk normaal. Als ik over twee jaar zo ben, wil ik… Ik durf “dood” niet uit te spreken. Ik weet ook niet of ik dat werkelijk wil. Hoewel J. en zijn vrouw in mijn ogen beiden in een andere, kleinere wereld verkeerden, kan het best zijn dat zij steeds gelukkiger worden als hun geest wordt leeggevreten door dat geheimzinnige beest dat zich voedt met herinneringen. Als ik gelukkiger word omdat mijn herinneringen verdwenen zijn en ik met een grote luier moet lopen en in iedere verpleegster mijn moeder zie, wil ik alsnog heel oud worden. Misschien geneest Alzheimer je wel van depressie, hoewel ik Alzheimer-patiënten kende die het betreurden dat ze zelf niet meer wisten wie en waar ze waren en daarover in paniek verkeerden. Steeds meer kom ik erachter dat ons bewustzijn een noodzakelijke last is.
Ik vind “bewustzijn” trouwens weer een ingewikkeld woord dat meteen komt aanbellen bij mijn autistische inslag. Ik weet dus niet exact wat het betekent. Als ik me ergens bewust van ben, wat is dat dan? Ik ben mij ervan bewust dat ik nou tik, maar ook van wat ik tik, ook van geheime gedachten, ook van boodschappen die ik moet doen, ook van Koos die uitgelaten moet worden. Maar er zijn eveneens zaken waar ik me niet van bewust ben, maar toch weet: ik heb neerslacht, maar waardoor? En ben ik niet existentieel onzeker? Wat betekent dat nu weer? In ieder geval is het de reden dat ik schrijver ben geworden: ik wil woorden inhoud geven en een zin zinvol laten wezen waardoor ik steeds nieuwe verhalen kan vertellen. Alles wat ik schrijf is vaak een uitleg van wat ik onbegrijpelijk vind.
(Ik wilde juist hier iets ontzettend humoristisch vertellen, maar dat lukt me dus niet. Dat is jouw schuld, Moervosje. Vraag me niet waarom.)
In je mail vroeg je me of ik wel eens aan de dood denk…
Ik vond dat zo’n rare vraag. Ik denk 24/7 aan de dood. Dat heb ik altijd gedaan. Vroeger met angst, tegenwoordig af en toe met verlangen - en daar schrik ik dan van.
Ik heb de schrijver Adriaan Venema redelijk gekend. Hij kondigde een jaar van tevoren aan dat hij zelfmoord ging plegen. Ik vond dat onethisch. Ik heb daar enorme ruzie met hem over gekregen. Ik zei hem dat mijn ouders juist tegen zelfmoord waren toen ze in het Jappenkamp waren en dat ik dat begreep. Ze hadden nog op te voeden, te verdedigen, nog te zoeken naar de waarde van hun bestaan. Theo van Gogh heeft toen onze ruzie tussen Adriaan en mij gesust, een dag voordat die de hand aan zichzelf sloeg - er waren ook nog wat andere zaken tussen hem en mij voorgevallen. (Ik belde Adriaan en bood mijn excuses aan, die hij uiteraard accepteerde waarna we nog een leuk gesprek hadden over Bodega Keyzer waar we elkaar ’s ochtends troffen.) Omdat ik er toch mee zat heb ik over de nacht dat hij zelfmoord pleegde een toneelstuk en filmscript geschreven, maar we kregen dat niet gefinancierd. Men vond mijn script, ze bedoelden de dialogen, goed, maar “het thema” niet. (Synopsis: Een man heeft te vroeg alles uit het leven gehaald en is alleen nog nieuwsgierig naar de dood. “Daar krijgen we geen filmzalen mee vol,’’ zei een producent tegen Theo. Ach, misschien was dat wel zo.)
Toch viel er in dat script nog wel veel te lachen, trouwens.
Dat idee was voor mij niet nieuw. Ik had ook al eens een toneelstuk geschreven over een nacht die ik zelf had meegemaakt en waarin de schrijver A. Moonen in een psychose terecht was gekomen.
Dat zat ook vol grappen en grollen maar kreeg ik ook op de planken noch voor de camera. Het ligt op de grote stapel nooit uitgevoerde scripts en toneelstukken.
Nou ja, ik zal je er mettertijd wel eens wat meer over vertellen. Zowel over Venema als over Moonen.
Ook dat stuk over Moonen wilde Theo verfilmen, maar kregen we evenmin gefinancierd. Ze zeggen dat je van je mislukkingen moet leren en inderdaad leerde ik beter te mislukken. Nu is dat mislukken niet erg, maar wel als het je eigen schuld is en nou ik oud en eenzaam ben, geloof ik dat het inderdaad mijn schuld is.
Ik ga je kussen, Moervosje. Ondanks de eb waarin de zee van geheugen nu verkeert, besef ik, uitkijkend op het strand van mijn bewustzijn, dat jij en ik ooit ergens het ware geluk hebben aangeraakt. Brand een kaars voor me.
Liefs,
Theodor
Kort verhaal
Doek Hij schrok toen hij haar in het ziekenhuisbed zag. Ze zag er doodmoe uit terwijl de snoeren en de slangen van de apparaten die haar in de gaten moesten houden met elkaar verknoopt leken. “Oh pap…,’’ zei ze. “Stil maar.’’ “Ik had zo graag…’’ “Het was niet levensvatbaar… en dan…’’ Wat hij zei bereikte haar niet. Op dat moment kwam haar moeder de kamer binnen. Die stapte meteen op haar dochter af en huilde met haar mee. Zijn ex-vrouw was veranderd. Haar haar was kort. Ze was wat tuttig gekleed en hij meende aan haar rug te kunnen zien dat hij niet welkom was. Nadat ze tevergeefs haar dochter had getroost, richtte ze zich op en keken ze elkaar aan. “Hoi,’’ zei hij. “Willem komt zo,’’ antwoordde zij. “Ik ben zo weg, ik wilde alleen…’’ Hij herinnerde zich dat toen ze gingen scheiden, zij tegen hem over hun dochter had gezegd: “Zij is meer het kind van Willem dan van jou. Jij bent alleen de natuurlijke vader.’’ Het had hem diep gekwetst, maar hij had geknikt, zoals hij haar in alles gelijk had gegeven. Wie bij een scheiding geen ruzie wil zwijgt, wie wel ruzie wil zwijgt nadrukkelijker. Naarmate zij ouder werd, ging het steeds beter tussen hem en zijn dochter, hoewel ze nooit over “mamma’’ hadden gesproken. Hij liep naar zijn dochter en gaf haar een kus. “Ik moet weg meisje… Je bent sterk… Mijn moeder …dat ging soms ook niet…” “Ik vind het zo erg, pap.’’ “Dat is het niet… Het komt goed.’’ Hij kuste zijn dochter nog een keer. De deur ging weer open en Willem kwam binnen. Die groette zijn voorganger niet, deed net of hij hem niet zag en liep meteen naar zijn stiefdochter. “Schatje, schatje, je was zo dichtbij, zo dichtbij…’’ Hij vond de woordkeus van Willem vreemd, ergerlijk vreemd. Maar hij keek neutraal, deed zijn jas dicht en groette zijn ex-vrouw met een knikje. “Moet je niet even kijken!’’ zei ze en wees naar een typische ziekenhuiswieg. Schrik en schaamte voelde hij door zijn lichaam trekken als een doek dat plotseling van hem werd afgerukt. Hij had de wieg wel zien staan, maar niet gedacht dat daar… “Ga maar even kijken,’’ zei z’n ex-vrouw en hij hoorde het mes dat ze in hem stak. Hij keek nog even naar Willem, die de handen van zijn dochter in de zijne had genomen en hem nog steeds niet had aangekeken. En hij keek in de wieg. Hij dacht aan een verhaal dat zijn moeder had verteld. Hoe haar moeder, zijn oma, die hij trouwens nooit had gekend, uit bijgeloof na een dag alle lakens en gespaarde kleertjes had verbrand. Even aaide hij met zijn vinger het perkamenten wangetje.





Prachtig, treffend, herkenbaar. En ik vind het ook van literaire kwaliteit. ❤️
Amen....