Mag ik een bosje oorlogen van u
Dat pak past ons allemaal
My dear,
Vreemde tijden, vind je niet?
Amerika en Israël samen tegen Iran. En wij maken ons weer druk over regeltjes (“Het internationaal recht is overtreden!” en keren ons (behalve ik) in feite tégen Amerika en Israël. Wat is dat toch? Nou ja, toen ik jong was, liep ik over van de verkeerde denkbeelden, vooral om in de smaak te vallen bij wijlen mijn Grote Liefde.
Ik vind het wel jammer dat ik oud en geil ben; liever was ik jong en geil. Dan had ik me nu aangemeld voor het leger en had ik enkele Iraanse ayatollahs neergeschoten. (Ik was vijftien, zestien, en ik hoorde op school dat de Romeinen, als ze weer een dorp hadden veroverd, alle mannen neerstaken en alle vrouwen aan de manschappen gaven; het was een van de redenen waarom die Romeinse legers steeds groter werden. “Ha, grote centurion, we zien daar een dorpje, mogen we dat vanavond nog veroveren?” “Ga je gang, boys. Maar weet dat de dochter van de sheriff voor mij is.”)
Militarisme is zo aantrekkelijk omdat je meer uniform dan mens bent. Het kostuum verbergt de persoon, dus is ook de moraal verstopt, evenals de verantwoordelijkheid. De soldaat voert enkel uit. Als je zo’n pakje hebt aangetrokken, ben je eigenlijk al voor de helft gestorven; je bent verworden tot een somnambulist die zich thuisvoelt in Nachtmerrieland, waar onder je voeten constant botten kraken en waar de taal van Gekerm wordt gesproken. Ik heb, wegens familieomstandigheden, enkele soldaten gekend die hoog in rang waren. Op familiefeestjes was ik altijd onder de indruk van hun kostuum en de “batons” op de linkerborst, en ik zocht naar die voor Korea en de Verenigde Naties. (Laatst zag ik ze op het Waterlooplein liggen. Ik heb ze niet gekocht, uit een plotseling opkomend respect. Ik verdiende die niet. Daar heb ik nu spijt van.)
Ik schreef het geloof ik al in mijn vorige brief, dat ik bang ben voor oorlog. Uiteraard bid ik elke avond dat er geen oorlog komt, maar ik houd er rekening mee dat mijn kleinzoon ook in zo’n pak terechtkomt.
“Waar ga je naartoe, jongen?”
“Naar Iran, opa.”
“Okee… Nou, tot ziens…”
“Dag opa…”
“Wacht… Ik wil je een kus geven.”
Ik zal je niet schrijven hoe mijn gedachten dan verdergaan, maar mijn kussen wordt dan nat.
Mijn vader — landstormer geweest, meteen gevangen genomen door de Jappen en vervolgens gemarteld — wilde maar dat ik in het leger ging. Ik begrijp het nog niet. Althans… net als hij ben ik voor een groot Nederlands leger, maar toch wil ik niet dat mijn eigen kleinzoon daarvan deel uitmaakt. Hypocriet? Ja. Dus vertel het maar aan niemand. Misschien is dat wel de ellende van deze tijd: dat je, om overwegingen van leven en dood, gedwongen wordt tot hypocriete keuzes, terwijl je eigenlijk iedere vorm van hypocrisie wilt bestrijden. Aan mij ging een held verloren, maar als ik het leger in was gegaan, was ik denkelijk alleen per ongeluk een held geweest. Als ik dan ten oorlog had moeten trekken, was ik misschien pas na mijn heldendood een echte held geworden - dus in de ogen van anderen - en was er voor mij en al mijn omgekomen kameraden een afschuwelijk “Voor hen die vielen”-monument opgericht van iets abstracts wat nog het meest lijkt op een veelkoppig, gruwelijk insect met harige poten.
Wat moet ik nou met deze tijd? Kon ik er maar een prop van maken en weggooien.
Aan de andere kant vind ik het ook spannend.
Ik stop nu even met schrijven en ga vanavond verder.
Pauze…. (U kunt drankjes bestellen bij de bar.)
Ben ik weer.
Had ik je al verteld dat mijn boek helemaal niet loopt? Nu wil hij — mijn boek dus — ook in het leger. Ik zeg: “Doe niet zo raar. Ik heb je niet geschreven voor nu, maar voor de eeuwigheid.” Dat begreep hij niet. Ach, hij heeft nog dromen om in alle etalages van boekhandels te liggen en prijzen te krijgen. Ik wil hem die dromen niet afnemen, maar in het leger gaan gaat me te ver. Dan wordt hij meteen verscheurd.
Wat ben ik ongezellig, hè?
Ik maakte daarnet met Koos een wandeling en kwam vijf (!) daklozen tegen op verschillende locaties. Eén op een bankje met drie zakken om zich heen, één in het gras, twee in een portiek en één zittend voor het portiek bij de Aldi. Vroeger zou ik een “column” over ze hebben geschreven, zo’n Carmiggelt-ding, weet je wel, met een wat droevige beschrijving: “De man die zijn dak had verspeeld en nu dagelijks de kilte van de straat en de mensen voelde, vroeg mij met een stem waaruit de alcohol en de nicotine nooit meer zouden verdwijnen of ik misschien duizend euro kon missen, want hij wilde ook wel eens goed eten in zo’n kutrestaurant waar je, godverdomme, alleen maar teringjeugd ziet, decadenten!”
Nou ja, deze tijd heeft veel woorden nodig om te beschrijven, maar tegenwoordig schrijven maar enkelen de goede. Het was hét probleem van vlak voor de Tweede Wereldoorlog: hoe moest je precies over die klote-Duitsers schrijven? Misschien ga ik daar wel een stukje over schrijven. Nu houd ik op en ga CNN kijken, want de Nederlandse talkshows gaan elke avond alleen over de buitenkant en ethische problemen waar je in deze tijd niets aan hebt.
Tot ziens, dear. We komen er wel doorheen. Door het leven, bedoel ik.
Kort verhaal
Maserati
Die avond bestond zijn broertje, door alle geneesmiddelen die hij kreeg, uit een vrolijk stuk doorzichtig vlees dat in een grauw bed lag.
“Morgen word ik achttien,” zei broertje, die ondanks zijn leeftijd zo mager was dat hij gekrompen leek.
“Dan mag je eindelijk je rijbewijs halen,” zei Robert, en hij wist dat zijn broertje daarom moest lachen.
“Wat voor auto ga jij later kopen?” wilde zijn broer weten.
“Ik weet het niet,” zei hij. “Wat voor auto zou jij kopen?”
“Een Maserati.”
Robert knikte bevestigend
“Mooi…” zei hij.
“Dus je moet rijk worden. Voor mij. En dan een Maserati kopen.”
“Ik heb geen talent om rijk te worden.”
“Ik zeg niet dat dat overmorgen moet. Het mag ook over dertig jaar.”
“Dan zijn die Maserati’s misschien lelijk.”
“Toch kopen. Voor mij…”
Op dat moment kwam hun moeder binnen. Ze liep meteen naar haar zoon, die rechtop in bed zat, en kuste hem.
“Waar hadden jullie het over?” vroeg ze.
“Over auto’s.”
“Over auto’s? Waarom?”
“Omdat ik na morgen mijn rijbewijs mag halen. En hij gaat een Maserati voor me kopen.”
“Wat voor auto is een Maserati?” vroeg de moeder.
“Gewoon. De mooiste auto die er is, mam.”
“O… en welke kleur?” vroeg moeder, die duidelijk geen verstand van auto’s had.
“Zwart,” zei haar zoon. “Hij gaat een zwarte Maserati voor me kopen. Toch?”
“Wil je echt zwart? Ik dacht rood,” zei Robert.
“Nee, zwart…” zei broertje.
“Ik vind zwart zo somber,” zei moeder.
“Maar ik hou van zwart,” zei haar zoon. “Je gaat echt voor mij een zwarte Maserati kopen, hè Robert?”
“Ja… als ik rijk geworden ben.”
“Je wordt rijk.” En na een kort moment: “En nu ga ik slapen.”
“Ben je moe?” vroeg moeder, terwijl ze door zijn haar kroelde. Maar de jongen sliep al.
“Ik blijf vannacht hier,” zei moeder.
“Ik kan hier ook blijven, mam. Je ziet er doodmoe uit.”
“Dat moet ook. Ik wil er doodmoe uitzien en ik wil doodmoe zijn.”
Hij ging niet tegen zijn moeder in, gaf haar een kus, keek nog even naar zijn broertje en verliet het ziekenhuis.
Op de parkeerplaats zag hij de auto van zijn vader. Die zat achter het stuur en rookte een sigaret. Robert klopte tegen het ruitje.
“Mamma is boven,” zei hij, “en ze wil de hele nacht bij hem blijven.”
Zijn vader nam nog een trek en zei: “Dat zou ik ook wel willen.”
“Ga dan!”
Z’n vader schudde zijn hoofd.
“Dat kan ik haar niet aandoen.”
“Ga naar boven. Vierde verdieping, kamer 435.”
“Dat kan echt niet!”
“Natuurlijk wel, pap. Wat dan? Wil je de hele nacht hier blijven?”
Z’n vader schudde weer zijn hoofd.
“Hoe gaat het nu met hem?”
“Hij is morgen jarig, zoals je waarschijnlijk niet weet, en hij wil een zwarte Maserati.”
De column van Koos
Reclame heeft zin.






Weer mooi geschreven, wat een talent heb je dat je dat kunt.
Oorlog, soms is er geen ontkomen aan. Wat zou er gebeuren wanneer Europa als één man achter de VS en Israel zou staan? Zou het dan niet sneller afgelopen zijn?
Prachtig. Ik ga je nieuwe boek kopen en wel nu!