Een paar keer heb ik als journalist een Nobelprijswinnaar mogen interviewen. Ik herinner me Gerard ’t Hooft en Martin Veltman. De een was aardig, de ander ook, maar anders aardig. Ofschoon ze beiden die prachtige prijs kregen (voor iets over kwantummechanica), had ik niet het idee dat ze elkaar mochten. Ze waren lange tijd gebrouilleerd geweest, maar spraken in het openbaar beleefd over elkaar. Ik sprak ze ieder afzonderlijk voor de radio voor omroep Human. Martin Veltman, zo herinner ik me, was ervan overtuigd dat hij binnen afzienbare tijd een ‘theorie van alles’ zou kunnen bewijzen. Hoe het daarmee nu staat, weet ik niet. Hoe die theorie precies in elkaar moest zitten heeft hij me wel uitgelegd, maar heb ik, geloof ik, niet helemaal begrepen.
Maar ik heb ook een reportage mogen maken over een Nobelprijswinnaar voor de Literatuur, namelijk Derek Walcott. Hij kreeg de Nobelprijs in 1992. Men kan hem kennen van zijn bundel Omeros.

Hoe het kan, wijt ik aan beginnende dementie, maar ik heb na de reportage nooit meer aan Walcott gedacht. Tot ik onlangs die reportage weer tegenkwam.
Omdat ik me wat bibberig voel, heb ik besloten om deze reportage uit Het Parool hier voor u af te drukken. Toen ik hem weer las, riep hij weer vrolijke herinneringen bij mij op.
Even drie regels van Wiki overschrijven, zodat u iets meer weet over Derek: ‘Derek Alton Walcott (Castries, 23 januari 1930 – Gros Islet, 17 maart 2017) was een Saint Luciaans dichter, toneelschrijver en schrijver. Hij schreef voornamelijk in het Engels. Walcott won in 1992 de Nobelprijs voor Literatuur.’
Hieronder de tekst uitgetikt.
Wilt u schoenen en sokken uittrekken?’
door THEODOR HOLMAN
De Masterclass van Nobelprijswinnaar Derek Walcott
15-05-1993 Het Parool
Zou ik worden toegelaten?
Toen ik het papier in handen kreeg waarop stond dat Derek Walcott, Nobelprijswinnaar van de literatuur (een hogere literaire onderscheiding kent de wereld niet) in Amsterdam Masterclasses in creatief schrijven zou geven (theater en poëzie), ging mijn hart tekeer; meestal gingen zulke hapjes mijn neus voorbij wegens mijn gebrek aan talent of omdat ik te laat had ingeschreven.
Ik was dan ook dolblij toen ik een fax ontving van het John Adams Instituut dat ik met de masterclass mocht meedoen.
Wat zouden we gaan doen? Ik had geen idee. Ik wist alleen dat de masterclass twee (mid)dagen zou duren; en opeens schaamde ik mij voor mijn gebrekkige Frans, Duits en Engels. Masterclass… Dat betekende toch meesterklas…. de klas voor de meesters, zeg maar?
Ik kocht nog snel zo’n piepklein woordenboekje Nederlands – Engels voor in mijn zak en leed aan het Kees de Jongen-syndroom:
‘Mister Holman’
‘Yes mister Walcott.’
‘Would you please read your poem out loud.’
‘Yes mister Walcott…’ En de klas zou stil zijn, ook nadat ik mijn eigen gedicht had voorgelezen, en Derek Walcott zou ook eerst stil zijn en dan zou hij opstaan, een traan uit zijn oog vegen en dan zou hij zeggen: ‘You will not only win the AKO, my dead Theodor, but you will also… you also will once win the Nobelprize…’
En toen werd het dinsdag. Om 13 uur zou de masterclass beginnen.
Dinsdag 12 uur
Geheel op van de zenuwen ben ik al om twaalf uur bij het gebouw van toneelgroep De Nieuw Amsterdam (DNA), Spuistraat 2. Een uur te vroeg. Alles is nog dicht. Ik besluit om iets te gaan drinken in de bar van het Renaissance-hotel.
Als de tonic wordt gebracht, kijk ik Derek Walcott recht in het gezicht, want hij zit precies naast me met zijn vriendin. Het is warm weer, maar hij heeft toch een jasje aan. Verder draagt hij een spijkerbroek en sportschoenen zonder sokken.
Ik zit voor het eerst van mijn leven naast een Nobelprijswinnaar, en het bevalt mij uitstekend. Hij zegt niet veel want hij is natuurlijk vermoeid. Hij staart wat naar het Kattegat. Af en toe komt iemand hem een hand geven.
Ik heb vannacht voor driekwart zijn Omeros uitgelezen, maar veel is me daarvan ontgaan. Ook zijn Collected Poems heb ik aangeschaft, maar ik was er te opgewonden voor. Als hij er maar niets over gaat vragen.
Om half één wil ik de sfeer gaan proeven en loop ik naar het DNA-theater dat tien meter verder ligt. Ik meld mij en kijk of er schrijvers zijn die ik ken. Ik zie alleen Thomas Verbogt en Daphne Meijer, en verder een enkele collega van een andere krant. De rest zijn acteurs van DNA.
Dan, om één uur, komt de meester binnen. Het wordt even stil. Hij neemt een kopje koffie en vraagt of er iemand ‘sugar’ heeft. Althans dat versta ik. Ik, na jaren weer terug in de rol van slijmerigste leerling van de klas, geef hem suiker. Nee, hij wil andere suiker. Ander suiker? Toch niet… ‘Brown sugar?’ vraag ik half lacherig. En opeens komt er iemand aan met zoetjes. Ik besluit om het kleine woordenboekje toch maar in mijn broekzak te houden.
Dan worden we verzocht naar de zaal beneden te gaan.
Ik kom binnen en zie een jongen met schitterende dreadlocks achter een paar bongo’s zitten.Boembedeboemboem! Klinkt het.
Ik ga op een stoeltje zitten en ik zie dat er collega’s zijn die al aantekeningen maken, maar ik weet niet wat. Toch schrijf ik bongo’s, dreadlocks in mijn boekje.
‘Silence please,’ zegt Walcott. Complete stilte. Dan: ‘Wilt u allemaal uw schoenen en sokken uittrekken? En trekt u uw broekspijpen maar wat op. U mag ook langs de kant blijven zitten als u dat wilt. De bedoeling is dat u het leuk vindt. U weet misschien niet wat we gaan doen. Maar dat merkt u wel. Bob hier is de choreograaf. Bob, neem jij het even over? ‘
De acteurs van DNA doen alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Dat is het voor hen misschien ook. Ik blijk echter de enige auteur te zijn die zijn schoenen en sokken heeft uitgetrokken, al had ik daar, merk ik, niet op gerekend. De rest van schrijvend Nederland zit comfortabel aan de zijlijn alles te bekijken.
Die Bob, de choreograaf, is een zwarte van uitzonderlijke schoonheid. Hij kijkt de drummer aan die eerst begint met een basisritme.
‘Concentreer je voor tachtig procent op je ademhaling en doe deze beweging vanuit de heupen.’
De acteurs van DNA lijken allemaal begiftigd met in olie gesmeerde heupen, tewijl ik me na dertig seconden al 94 kilo lul voel. We moeten in een soort jazz-achtige danspas door de zaal lopen.
‘Jungle-rithm!‘ gebiedt Walcott de drummer. Bob de choreograaf speelt daar handig op in en doet ons een draai voor die we over moeten nemen, terwijl de bewegingen in hun geheel iets krijgen van Afrikaanse dans. Ik draai… ik draai… en draai….boem bedie boem boem, bong, bong!
‘Loop nu door de zaal heen, let op het ritme,’ hoor ik Bob zeggen. Ik loop door de zaal heen. ‘Kijk iedereen recht in het gezicht als je iemand passeert!’ Ik kijk iedereen recht in het gezicht. Plotseling: ‘STOP!’ Ik stop. Walcott kijkt rond, hij loopt tussen ons door. Bob de choreograaf gaat door met aanwijzingen. ‘Richt je focus op degeen die recht voor je staat, loop nu door elkaar heen, maar blijf diegene in de gaten houden… Ga zo ver mogelijk van hem af. Volg hem nu. Haal diep adem… let op het ritme… adem uit… let op het ritme… adem in… Beweeg! Adem in… let op het ritme.’
Ik beweeg, let op het ritme, haal diep adem. Dan moeten we een bepaalde draaiende beweging maken en die uitvoeren met een zelfgekozen klinker. Ik neem de O. ‘Oh, oh, oh, oh.’ We moeten de klinker verderen: ‘Ah, ah, ah.’ De klinker moet ‘in de beweging’ en vervolgens ‘in de ademhaling’ – er komen andere ritmes. Dan moeten we gaan liggen en ik vertrek naar diep binnen in mezelf, naar een prettige trance. Ik weet dat omdat ik opeens hoor: ‘WAKKER WORDEN! WAKKER WORDEN! WAKE UP! WAKE UP!’ en ik ontwaak. Ik kom van zeer diep, hoewel ik alles toch bewust heb meegemaakt. Ik besef dat ik geheel klaar ben voor de les.
Dan wil Walcott dat we in twee concentrische cirkels gaan zitten. De binnenste ring met acteurs en actrices, de buitenste met schrijvers. Vervolgens gaat hij met een fragment van Omeros aan de gang.
‘Het gaat er niet om dat jullie deze scène spelen, het gaat er om dat jullie the feel van deze scène krijgen,’ zegt Walcott.
Later zal Herman, één van de acteurs van DNA, tegen me zeggen: ‘Walcott gelooft in het mysterie van het theater. Hij wil dat er theater ontstaat. Het was, toen ik hem bezig zag, of hij zelf een bepaald gedeelte van een ander stuk speelde. Hij heeft ook stukken gemaakt op basis van dit soort improvisaties.’
Wat Walcott doet, is inderdaad ‘theater maken’. De Engelse tekst moet a vue vertaald worden. Een Zweedse actrice mag het in haar eigen taal declameren. En vervolgens laat hij de scène spelen. Met tekst, zonder tekst, door verschillende acteurs. En voortdurend voegt hij er iets aan toe. De bewegingen waarmee we begonnen komen terug, de geluiden komen terug. Vervolgens worden de bongo’s weer ingezet. Walcott laat ons zingen, dansen, bewegen… ademen… de klinkers komen terug. En voortdurend werkt hij vanuit lange, lange stiltes.
Maar er ontstaat inderdaad drama. Zonder dat je het direct in de gaten hebt, weeft hij aan het tapijt. Uiteindelijk wordt de scène gespeeld: met de dansers, met de acteurs, met een koor en met de drums: de stukjes van de puzzel blijken te kloppen. Mijzelf doet het enigszins aan de jaren zeventig denken, maar soit: het mysterie van het theater wordt voltrokken en daar gaat het om. De spelers van DNA zijn absoluut fantastisch, en ik zie dat Walcott ook van hen onder de indruk is. Hij heeft een eigen theatergroep en je merkt dat hij gewend is aan deze manier van theater maken. Als die dag de les erop zit, staan op een gegeven moment (niet geheel toevallig) Walcott en ik op straat naast elkaar. Walcott stelt me voor om nog iets te gaan drinken, samen met de acteurs. Dat doen we, en ik kom naast hem te zitten. Hij is zeer geïnteresseerd in acteurs. Hij zegt ook beter met acteurs om te kunnen gaan dan met schrijvers, en dat merk ik.
‘Wat doe jij?’ vraagt hij op een gegeven moment aan mij, omdat hij ook wel vindt dat hij me niet de hele tijd tegen z’n rug kan laten aankijken.
‘Ik ben auteur-journalist,’ zeg ik.
‘No, no, Holman is a very famous writer,’ zegt een collega-journaliste die mijn stukjes in Het Parool leest en die naast me zit.
‘Nee, niet waar,’ zeg ik in paniek.
‘Jawel,’ zegt de vriendelijke dame.
‘Is he famous?’ vraagt Walcott aan de acteurs van DNA.
Zeventien mensen schudden hun hoofd!
‘You must be his agent,’ zegt Walcott tegen de vrouw.
Sindsdien zal Walcott mij The Famous Writer noemen.
Donderdag 12:40 uur
Ik ben weer veel te vroeg en kom op mijn fietsje aanrijden. Als ik mijn fiets op slot zet, merk ik dat Walcott mij vanaf het terras in de gaten houdt. Hij groet. Ik groet terug. Wat te doen? Naast hem zitten? Juist niet naast hem zitten? Ik weet van mezelf dat ik in zulke gevallen volstrekt contactgestoord ben. Ik ga dus niet naast hem zitten, maar achter hem, aan de bar. Hij kijkt om, ik kijk om. We groeten elkaar nogmaals. Dan neem ik me voor recht voor me te kijken, maar ik kan hem in de spiegel zien. Ik zie dat hij zich omdraait en naar mij kijkt, maar als hij merkt dat ik hem in de spiegel zie, draait hij zich snel terug. ‘Dit is belachelijk,’ denk ik, ‘Ik ben journalist, ik word geacht op een normale manier met de groten der aarde te spreken.’ Dus ik loop naar hem toe, groet hem ten derde male, en dan speelt zich een dialoog af die ik u niet wil onthouden.
‘Wilt u een kop koffie van mij, mijnheer Walcott?’
‘Is vijf gulden genoeg denkt u?’
‘Nee, wilt u een kop koffie van mij, of iets anders drinken?’
‘Wat is dit? Dit is toch vijf gulden, is dat genoeg voor een fooi?’
‘Dat hangt er vanaf. Wat heeft u gedronken?’
‘Op mijn hotelrekening.’
‘U wilt niets meer drinken, natuurlijk.’
‘Dus dit is goed, die vijf gulden? Dat is genoeg?’
‘Ja, mijnheer Walcott, dat is genoeg… U zult wel moe zijn.’
‘I am fucking exhausted!’
Ik besluit even te zwijgen, en naast elkaar zittend staren we weer naar het Kattegat. Over vijf minuten begint de les. Dan zegt hij opeens: ‘Ik heb een gitarist nodig. Speel je gitaar?
Ik ben stomverbaasd en zeg: ‘Wie, ik? Ja, Beatles, Stones.’
‘Speelt u ook verschillende ritmes?’
‘Hoe bedoelt u?’
‘Verschillende ritmes!’ Hij doet voor hoe je gitaar moet spelen. Ik neem het zekere voor het onzekere en schudt mijn hoofd.
‘Goed, als ik een gitaar heb, moet je gitaar spelen,’ zegt Walcott.
Ik doe maar net of ik hem niet heb gehoord. Dan staat hij op en houdt mij nog een keer het vijf gulden muntstuk voor. ‘Is genoeg,’ zeg ik.
Om één uur begint de les. Vandaag creatief poëzie schrijven. We doen geen warming up maar moeten wel in een kring om hem heen zitten. We gaan het gedicht Lullaby van W.H. Auden behandelen.
Walcott besteedt veel tijd aan de klinkers van het gedicht, aan het zangerige. We moeten alleen de klinkers opzeggen en daarna half zingen. Vervolgens komt het ritme aan de orde. Weer veel tijd besteedt hij aan het ritme. De komma in de eerste regel wordt uitgebreid onder de loep genomen.
Walcott laat ons de stafrijmen, de halfrijmen en binnenrijmen van het gedicht ontdekken. Dan opeens moeten we twee aan twee werken en vraagt hij ons binnen een kwartier het gedicht te vertalen.
Terwijl collega Michel Maas van de Volkskrant en ik samenwerken, gaat Walcott met de acteurs en actrices van DNA, in samenwerking met een gitarist en de dreadlockboy met een steeldrum een lied instuderen op basis van Audens Lullaby. En weer ontstaat er theater.
Dansen
Collega Maas en ik vertalen als de ziekte. Maas is er veel beter in dan ik. Na een kwartier is onze vertaling af, ik ben er niet gering trots op en wil eigenlijk van mijnheer Walcott een cijfer hebben.
Maar ondertussen heeft de Nobelprijswinnaar zelf de bongo’s ter hand genomen en drumt de lullaby, terwijl iedereen zingt en danst. Het wordt weer een heerlijke chaos. Ikzelf vraag eerst de Suri-Vlaamse actrice Alida Neslo ten dans, maar die wil niet. Daarna vraag ik de mooiste dame van de masterclass, mevrouw Daphne van Schendel (61), die mij, terwijl ze mij tevergeefs het swingende walsritme van het slaapliedje wil bijbrengen, vertelt dat haar moeder familie is van Derek Walcott. Zelf heeft ze op de Antillen veel aan de cultuur gedan, en ik durf met haar niet echt te dansen, want ze heeft werkelijk een groot ritmegevoel. Ondertussen oefent Derek met de rest van de masterclass alle stemmen in. En dan, eindelijk, mag ik onze Nederlandse versie laten horen.
Lullaby
Lay your sleeping head, my love,
Human on my faithless arm:
Time and fevers burn away
Individual beauty from
Thoughtful children, and the grave
Proves the child ephemeral:
But in my arms till break of day
Let the living creature lie,
Mortal, guilty, but to me
The entirely beautiful
-
Slaapliedje
Vlei je slapend hoofd, mijn lief
Op mijn trouweloze hand;
Tijd verteert en koorts verzengt
Ieder mooi bedachtzaam kind
Zijn schoonheid, en het graf
Leert ons zijn vluchtigheid
Maar als dan de morgen zingt
Liegt het schepsel dat daar ligt
Sterf’lijk, schuldig, maar voor mij
Van eindeloze zuiverheid.
(vert. Holman-Maas)
Weer eindigt de les met enorme theatrale effecten. De spelers doen pasjes en er zijn enkele fantastische zangeressen. Ik mag ook mijn vertaling zingen, maar als Walcott mij heeft gehoord, zegt hij: ‘Je bent ontslagen.’
En dan is de masterclass afgelopen.
‘Now you are a songwriter,’ zegt Walcott tegen mij, een brede grijns op zijn gezicht.
‘Let’s go upstairs,’ zeg ik, want daar is de drank.
‘Good bye,’ zegt hij.
‘Good bye?’ vraag ik.
‘Yes, upstairs,’ zegt hij.
Het zal geloof ik nooit wat tussen ons worden, maar ik mag hem wel.
-
Tot zover. Nu durf ik alleen geen reclame meer te maken voor De truc van Ferdinand Hania. Nee, laat ik nu maar niets zeggen over De truc van Ferdinand Hania. Dus ik zeg nu niets over dat boek dat u moet lezen: De truc van Ferdinand Hania.





Wat heerlijk weer om te lezen. Ik zag het helemaal voor me. En wat een kaaskop ben ik toch, dat ik zo'n hekel heb aan dit soort evenementen met opgelegde fysieke expressie 😬
Thomas Mann was ook gefascineerd door de gratie van de dans, maar hij bekeek het liever vanaf de zijlijn. (volgens A1)