Beste K.,
Is de oorlog eigenlijk in 1945 afgelopen, of is hij onlangs weer gestart? Er heerst namelijk een vreemde sfeer in het land. Mensen willen meedogenloos zijn. Ze praten in meedogenloze zinnen, ze hebben meedogenloze opvattingen, ze bewonderen alles wat meedogenloos is. De minister-president is een vuile klootzak, die sfeer. De bakker is een smerige pedofiel, die sfeer. Die presentator is een fascistische communist, die sfeer. De humor is ook meedogenloos. Iemand doet iets stoms - hahaha! Iemand maakt per ongeluk een domme opmerking - hahaha! Argumenten ad hominem maken de zaal aan het lachen. Het heeft iets kleinburgerlijks. Biedermeier-witzen in lederhosen zijn het populairst. Het zal aan mijn humeur liggen. Ik heb constant het idee dat men oorlog wil, bijna eist. Er is bijvoorbeeld een vervelende klootzak (“echt gebeurd!”) die een vuilniszak openscheurt en vervolgens de inhoud in een portiek lazert. Hij was vermoedelijk op zoek naar blikjes. Maar ik wil die lul een pak slaag geven, terwijl ik dat helemaal niet kan. En ik ben ook niet zo’n persoonlijkheid die overal meteen maar op wil slaan. Maar het komt voort uit angst. Als ik zo’n junkerige jongen zie, ben ik bang. Ik zie niet op tegen het gevecht en de pijn, maar wel dat hij niet weet wat hij doet en mij dan met een paar messteken ombrengt. Op dat moment verliest het pak slaag zijn pedagogische waarde.
Nou ja, ik blijf protesteren - al weet ik niet precies tegen wat. Het zal altijd wel ergens goed tegen of voor zijn.
Ik ben de afgelopen week ziek geweest (griep). Daar heb ik ook vergeefs tegen geprotesteerd. Je gezondheid doet maar met je wat ze wil.
Ik heb vreselijk moeten lachen om je angst dat AI de wereld gaat overnemen of zoiets. Gaan we allemaal dood? O. Kan ik daar iets tegen doen? Nee? O. Nou, dan zie ik het wel. Er wordt altijd wel iets uitgevonden dat het einde der tijden inluidt. Godsdienst is daar een mooi voorbeeld van. Een schitterende uitvinding, maar in de Bijbel is de ondergang al ingebouwd. Mattheus (24:36) luidt: “Niemand weet wanneer die dag en dat uur zullen aanbreken, ook de engelen in de hemel niet, zelfs de Zoon niet, alleen de Vader.” Dus het heeft geen zin om je er druk over te maken. Het wachten is op wat paps besluit.
Naast godsdienst was ook de atoombom een schitterende uitvinding die het einde der tijden inluidde en waarop zelfs een oorlogsstrategie is gebaseerd. Deterrence. Afschrikking. Mijn ouders waren ervan overtuigd dat Rusland De Bom zou gooien. Is AI anders? Misschien. Ik vind het mooi dat AI je immer probeert te behagen. Hij wil je altijd je zin geven - en dat leidt uiteindelijk tot je vernietiging. Maar ja, dat zag ik al bij Frankie de Vries die ongelooflijk werd verwend door zijn ouders. Ze stopten hem vol met snoep en geld, maar dat maakte hem ongelukkig. Uiteindelijk pleegden zijn ouders zelfmoord. (Dat heeft nog in de krant gestaan.) En tien jaar later is hij voor de trein gesprongen. (Dat heeft niet in de krant gestaan.)
Is AI niet te vergelijken met Narcissus? Verliefd op zichzelf. Zo’n liefde loopt uiteraard slecht af. Of lijkt AI op Phaëton de zoon van zonnegod Helios? Hij mag van paps in de zonnewagen rijden. (“Je houdt je wel aan de verkeersregels, beloof je dat?’’ Uiteraard veroorzaakte de zoon een ramp en wekte zodoende de toorn op van Zeus, die een bliksemschicht op hem wierp wat het einde van de knul betekende. Ik weet het niet. Wat denk jij? Dat behaagzieke van AI vind ik eigenlijk zeer onsympathiek. Er is trouwens veel wat de mensheid kan vernietigen maar er is ook veel wat één mens kan kapotmaken. Ik moet lachen dat je hoort en leest dat de mens het in eigen hand heeft om al of niet met kunstmatige intelligentie door te gaan en dat men vervolgens toch denkt: ach, laten we maar eens kijken wat er verderop gebeurt. “We zien wel waar het schip strandt.” (Wie dat zegt weet dus dat het schip strandt.) De mens, misschien wil je dat ergens opschrijven of anders moet je het uit je hoofd leren, houdt niet van zichzelf, hij haat zichzelf. Als AI werkelijk de zin van de mens probeert te bevredigen, kan dat dus alleen uitlopen op vernietiging, want vernietiging bevredigt de mens het meest.
Nu ja, ik denk dat AI een dinosaurus is die we moeten africhten. Een lief dinootje dat we aan de riem moeten houden en dan is hij heel gezeglijk, al is hij gigantisch. Zit, Dino! Zit! Goed zo. Maar er zijn ook dino’s die niet af te richten zijn. Voor hen moet je uitkijken. Ik kom er nog eens bij je op terug. Ondertussen hebben we nog met verschillende oorlogen te maken. (Heerlijk die vernietiging, hoor je de leiders denken). Ach, misschien weet AI een oplossing. Ik vermoed we nog steeds in een periode leven waarin de champagnefles wordt geschud. Binnenkort springt de kurk van de fles. Kijken wat er dan gebeurt. Ik hou er een glas bij. Groet, kus en alles.
Theodor
Kort verhaal
De Fluit “Hoe oud ben jij nu?’’ “72,’’ zei hij. “Ik ben 69,’’ zei de vrouw. Hij stond stil. De vrouw ook. Ze glimlachte. Dat wilde hij ook, maar dat lukte hem niet. “Dus je woont hier ook in de straat.’’ Was dit nou een constatering of een vraag? “Ja, ik woon hier… even verderop… op nummer 12.’’ “Ik woon op 127.’’ “Dat is dus aan de overkant.’’ “Ja, dat is aan de overkant…’’ zei ze. “Dan zullen we elkaar wel vaker tegenkomen.’’ Hij wist nu niet meer wat hij moest zeggen en hij moest naar de plee. “Wel leuke straat, vind je niet?’’ Haar stem klonk iets zachter. “Jawel… Rustig, maar niet te rustig.’’ “Nou, het kan ook druk zijn.’’ “Ja… op sommige dagen.’’ “En ga je wel eens naar De Fluit?’’ vroeg ze. “De Fluit?’’ “Ja, dat nieuwe café… Of nieuw… al een jaar of vijf.’’ “O dat… ja… Nee, nooit geweest.’’ “Er staat een dochter van een vriendin van mij achter de bar.’’ “O, wat leuk.’’ “Ja, ik ben er ook nog niet geweest.’’ “Ach…’’ “Maar ik groet altijd als ik langsloop.’’ Hij kon het niet vragen. En als zij het zou vragen… Hij kreeg het benauwd. “Maar er ligt wel veel rommel op straat,’’ zei ze. “Ja, nogal.’’ “In de hele wereld is het een zootje.’’ Haar stem klonk nu weemoedig, net niet kwaad, alsof ze niet echt wanhopig durfde te zijn. “Ja, overal is troep,’’ zei hij. Opeens vroeg ze: “En hoe lang is je vrouw nu dood?’’ “Anderhalf jaar,’’ zei hij. Het lukte hem niet haar aan te kijken. “Anderhalf jaar,’’ herhaalde ze en ze vervolgde: “ Dat lijkt lang, maar dat is het natuurlijk niet.’’ “Ja…’’ Hij voelde zelf dat hij ook wel wat meer moest zeggen. “Het is lang, maar…’’ Hij kon niet op de woorden komen. En hij zag hoe zij even diep ademhaalde en zei: “Ik ben nu drie jaar alleen… Ik weet niet eens hoe je heet… maar laten we een keer koffie drinken… gewoon ergens in de ochtend… een uurtje… praten over niks… tegen een mens dat misschien terugpraat…’’ Ze schaamde zich, zag hij. Misschien was geneerde een beter woord. Het lachje was enigszins… defaitistisch was het woord dat in hem opkwam. Alsof ze de moed opgaf. “Wie weet… Nu niet… Er moet, hoe raar het ook klinkt, nog zoveel geregeld worden.’’ “Weet ik, weet ik,’’zei ze. “Ik heet…” Ze keek hem even aan, maar direct weer weg: “Ik heet Linda van Wijk… Ik woon dus op…’’ “127,’’ zei hij. Dat hij dat nog wist ontspande haar. “We komen elkaar wel weer tegen,’’ zei ze. “Ja… dag Linda…’’ “Hoe heet jij eigenlijk?’’ “Louis…’’ Hij wilde naar huis, plassen, en haar nooit meer zien.





Je zit weer in de put he? Er is ook een bright side of life, maar dan moet je egoïst worden.