Ik voel pijn
En dat heb ik zelf gedaan
Beste H., goede collega-journalist,
Misschien lul ik in deze brief, maar ik zal antwoord op je vraag proberen te geven.
Vanaf 1985 maakte ik radio. (Rare zin eigenlijk. Alsof ik zelf een radio in elkaar zette, terwijl ik bedoel dat ik radioprogramma’s maakte.) Ik nam vooral interviews af. Enkele honderden, denk ik. Misschien wel meer dan duizend. Ik ga en kan ze niet tellen. Ik heb ook “televisie gedaan”. (Ook een beetje kinderachtige zin, vind je niet. Zo van mamma, ik ben een plasje gedaan.)
Ik weet dus wel iets van interviewen. En al kan ik het zelf wellicht niet opzienbarend, wat ik tegenwoordig hoor en zie vind ik gedateerd en ondermaats. Men wil maar weten wat iemands “emoties” zijn. Emotie, emotie, emotie.
“En toen ging je moeder dood. Wat voelde je toen?’’
“Een grote leegte… verdriet. Ellende.’’
“Beschrijf eens…’’
“Ik was totaal van de kaart….Ja, het is je moeder…’’
“Neem ons eens mee naar het moment dat je hoorde dat je moeder was gestorven…’’
“Nou, ik was thuis en mijn zusje belde en die zei: ‘Mamma is dood.’’’
“Mamma is dood… en toen, wat dacht je?’’
“Ik dacht… Het is verschrikkelijk.’’
“Moest je niet huilen?’’
“Nee… eh… nee..’’
“Moest je echt niet huilen?’’
“Nee…’’
“Omdat je een slechte verhouding had met je moeder…’’
“Nee… nee…’’
“Je hoort dat ze dood is en je huilt niet… dan denk ik… die is opgelucht… Was je opgelucht?’’
“Nee, ik zeg net dat ik heel verdrietig was, een leegte voelde, ellende…’’
“Maar je huilde niet…’’
Ik heb hier en daar het vraagteken expres weggelaten omdat de vraag gebracht wordt als een stelling. Eigenlijk wil de interviewer geen vraag stellen, maar bevestiging.
De reden dat interviewers de hele tijd vragen naar gevoelens is dat niemand eigenlijk iets voelt of een heel klein beetje, en als men zegt wel iets te voelen dan kan men het niet uitdrukken. Dichters kunnen daar soms woorden voor vinden, schrijvers kunnen dat, kunstenaars kunnen dat sowieso via hun muzen tonen, maar ook niet altijd. Ik heb een paar flinke verhalen geschreven over wat de dood van Theo van Gogh mij heeft gedaan, waaronder een dichtbundel (Theo,Theo) waar ik trots op ben. (Nul verkoop, geloof ik.) Elke dag heb ik het idee dat ik er nog eens over moet schrijven.
Wat doet al dat gevraag en geboor naar gevoelens die men eigenlijk toch niet kan uitdrukken? Men gaat zaken verzinnen omdat het dramatischer moet.
Neem honderd menselijke wezens met “verdriet”, honderd maal is hun verdriet anders. Vraag duizend eenzamen naar hun eenzaamheid, duizend keer zullen ze hun eenzaamheid anders verwoorden zonder dat wij het kunnen navoelen. Wij denken dat we als we vragen op iets unieks kunnen stuiten, maar het tegendeel is het geval. De mededeling kan al triest genoeg zijn. “Mijn ouders zijn vergast.’’
“Kunt u vertellen hoe dat precies ging?’’
“Nou, ze waren in Amsterdam opgepakt en…’’
“Maar in die gaskamer… Wat zouden hun laatste gedachten zijn geweest….Wat zouden ze hebben gevoeld?’’
Overdrijf ik? Nog wel. Terwijl “Wat dacht u toen?’’ al cliché is geworden.
En ik zie de geïnterviewde overdrijven, zoekend naar woorden die altijd tekort schieten omdat ze niet overeenkomen met wat hij werkelijk voelt. Hij wil drama. Wie drama heeft is belangrijk, want niet saai. Drama hebben is interessant. Drama betekent verkoop, naar de ogen gekeken worden. Drama kan respect of angst induceren. Wie geen drama heeft meegemaakt, telt niet mee.
En ziedaar de conceptie van nepnieuws. Nepnieuws moet altijd op emotioneel niveau schokken, anders heeft het geen zin. De werkelijkheid en nepnieuws gaan met elkaar in concurrentie en nepnieuws wint dan, want vergeet niet dat alles wat geconstrueerd is met oogmerk om te emotioneren beter werkt dan de echte emotie. Aan een kind dat net zijn ouders heeft verloren, zie je meestal niets. Hij is in shock. Of hij of zij huilt kleine traantjes. Maar een meisje en jongetje met gefabriceerde bebloede gezichtjes heeft veel meer invloed. Op ons, op ons denken en dus op onze oordelen. Op onze moraal.
Je weet dat ik steeds betoog: onze moraal is nep.
Vandaag zijn we pacifist, morgen doden we omdat het pacifisme moet zegevieren. We voeren oorlog, ja waarom eigenlijk? Gebiedsuitbreiding. Of: onze idealen moeten het meest invloed krijgen. Of: wij willen het rijkst zijn… Na verloop van tijd vergaat dat weer. Wie maakt er zich nog zorgen om de teloorgang van het Romeinse Rijk? Persoonlijk vind ik het trouwens jammer dat we niet meer geloven in de Griekse goden, al waren het er wat veel. Maar af en toe vraag ik nog wel eens wat aan al die goden die op de Olympus wonen: Zeus, Hera, Poseidon, Athena, Ares, Artemis, Apollo, Aphrodite, Dionysos, Hephaistos(ik ben er twee vergeten). Wij zijn opgevoed met een bepaalde moraal, en als we die moraal overtreden voelen we ons schuldig. Maar dat schuldgevoel weerhoudt ons ervan gelukkig te zijn, al is het een korte tijd. Schuldgevoel is zelfmutilatie: kijk eens, ik ben gewond, ik voel pijn, heb ik zelf gedaan, slim hè.
Kortom - ik kom tot een afronding mijnheer de Voorzitter - nepnieuws en een “verkeerde moraal” maken niet uit. We worden er niet gelukkiger of ongelukkiger door. Natuurlijk hebben jij en ik liever “de waarheid”. De waarheid geeft je de kans om betere besluiten te nemen. Men kan mij nepfoto’s laten zien van door Israëliërs vermoordde en verkrachte kinderen, ik sta om totaal andere redenen dan eventueel verkrachte en verminkte kinderen achter Israël. En wanneer dan op een dag blijkt dat de foto’s van de verkrachte Palestijnse kinderen nep zijn, dan ben ik juist nog meer voor Israël. Snap je mij? (Steeds minder mensen begrijpen mij.)
Ik groet je en tot binnenkort. (Waarom mag ik me eigenlijk geen filosoof noemen en moet je daarvoor filosofie hebben gestudeerd? Soms denk ik weleens dat de studie filosofie je oefent in slecht schrijven.)
Wachtend op de Derde Wereldoorlog verblijf ik, geheel de uwe:
Theodor
Kort verhaal
Droevig maar blij Hij werd wakker omdat Slof hem wakker likte. Die moest uit. Was de nachtmerrie nou een mooie droom? Ze had hem gekust, maar dat was waarschijnlijk Slof geweest. “Was vrouwtje even in jouw gekropen, Slof?’’ Die stond een rondje om zijn eigen as te draaien en liet een klein blafje horen. Even later deed de hond een plas die wel een minuut leek te duren tegen de pui van de buren. “Ik ben zeer droevig, maar ook blij, Slof. Ze was heel dicht bij me, ze zei niets, ze wilde wel wat zeggen, geloof ik, maar er kwamen geen woorden, ik voelde tranen over mijn wangen stromen en toen kuste ze me… Dat was jij… Of niet… Waar zou ze zijn, Slof?’’ Slof deed achter de auto van de overbuurman een kakje dat keurig met een poepzakje werd opgeruimd. “Dat dodenrijk… Hoe zou dat eruit zien? Als het bestaat dan…’’ Hij wilde zeggen: “Dan ga ik daar vandaag nog heen,’’ maar hij zag Slof en zei toen tegen de hond: “Ik weet dus niet of het een mooie droom was of niet, Slof. Ik was toen ik wakker werd oneindig verdrietig, maar ook gelukkig omdat ze me had gekust. Ik weet wel dat jij me die vieze lik hebt gegeven, maar de kus was echt en zij was echt… Ik snap het allemaal niet.’’ Hij veegde de tranen uit zijn ogen. Een oude buurvrouw liep hem tegemoet en groette hem en vroeg: “Waaraan is uw vrouw precies overleden?’’ Was het niet onbeschaafd om zoiets te vragen? Hij kende deze vrouw helemaal niet goed. “Een… hersenziekte,’’ zei hij. “Welke?’’ vroeg de vrouw. “Iets met een moeilijke naam,’’ zei hij, en toen: “Slof kom hier!’’ Dat deed de hond meteen en hij had niet door dat hij voor afleiding moet zorgen. “O… een moeilijke naam…,’’ zei de buurvrouw. Zou ze het weten? Waarom er dan naar vragen? “Slof wil niet goed eten sinds de dood van mijn vrouw,’’ zei hij. “Een hersenziekte… ja…’’ “We gaan nu iets lekkers halen voor Slof,’’ zei hij, “ik denk dat ik een ons rosbief voor hem ga kopen.’’ De vrouw keek even naar Slof. “Het spijt me,’’ zei ze, “u wilt er niet over praten?’’ “Moeilijk,’’ zei hij. “Ja, dat kan ik me voorstellen. Ik heb mijn man ook verloren. Alzheimer. Ik was opgelucht dat hij dood was. Hij was niet aardig tegen me. Nooit geweest. Maar op het eind helemaal niet. Hij schold iedereen uit. Mij in het bijzonder. Ik heb hem laten cremeren. Alleen de familie was erbij. En ik stelde me voor dat de oven waarin hij werd geschoven al de hel was. Daarom kon ik het aan.’’ Slof z’n tong hing uit zijn bek.





" En wanneer dan op een dag blijkt dat de foto’s van de verkrachte Palestijnse kinderen nep zijn, dan ben ik juist nog meer voor Israël. Snap je mij? (Steeds minder mensen begrijpen mij.)" - Nou dat snap ik zeker. Ik sta ook om meerdere redenen achter Israël maar ook om mijn hartgrondige afkeer van die totaal hypocriete agressieve moraal, aangepraat door de pseudointellectuele praathoofden van het EU-gesubsieerde belgamediakartel.
En weer een column van de bovenste plank!