Hoe kan ik weten wat ik moet weten
Ik weet van niks.
Op wie verlaat je je?
Ik vind dat moeilijk in een democratie.
Er zijn dan politici die ik moet kiezen, maar hoe weet ik welke wijsneus gelijk heeft? Welke maatregelen hebben effect en welke niet? Welke wil ik eigenlijk voor mezelf en wat als die niet goed zijn voor de gemeenschap? Ik kan luisteren naar toespraken en zelfs columns of essays van onze politici lezen, maar welke criteria leg ik dan aan? Moeten ze wit zijn of zwart? Moeten ze christelijk zijn of atheïst? Moeten ze socialist zijn of liberaal? Welke opvattingen moeten ze precies hebben over het klimaat?
Ongeveer weet ik het wel: ik wil meer geld overhouden, want ik heb altijd te weinig. Maar ik snap heus dat er belasting betaald moet worden. Maar waaraan wordt die belasting uitgegeven? En hoeveel? Hoe moet ik, simpele ziel, dat beoordelen? Ben ik überhaupt in staat dat te beoordelen? Lees ik de samenvatting van wetenschappelijke rapporten? (Nou niet stoer doen, Holman. Die lees je niet.) Begrijp ik die? (Nee dus.) Op wat baseer ik dan mijn oordelen? Lees ik de partijprogramma’s? (Soms, ik kom er meestal niet doorheen.)
Ik dacht vroeger: als ik nu veel boeken lees, dan komen de juiste oordelen wel als duiven naar me toegevlogen. Dus ik las Marx, Marcuse, Angela Davis en uiteraard las ik Horkheimer en Adorno en… wie zie ik daar in mijn boekenkast… o ja: Erich Fromm. (Hoewel, eigenlijk alleen diens “Liefde, een kunst een kunde”.) Gaf mij twee of drie klassentegenstellingen en kon er mee rekenen en schrijven.
En toch… werd ik een afvallige. Waardoor?
Door twee broers. Karel en Gerard van het Reve. Over beiden schreef ik een boek. Het waren vooral Karels humor en heldere mannier van redeneren en, hoewel hij katholiek was, Gerards onvoorstelbare humor en observaties die mij deden “draaien”. Net zoals zij kantelden van communist naar sociaaldemocraat en liberaal. (Het ligt genuanceerder, maar daarover een andere keer.)
Dus het was de humor?
Ja, eigenlijk wel, in mijn geval.
Waren er dan geen linkse humoristen?
Ja, die waren er. Veel zelfs. Een Youp, een Freek, een… noem maar op. In de jaren zestig, zeventig, tachtig en negentig, en in 2010 waren er alleen maar linkse humoristen. Eigenlijk waren er twintig, dertig, veertig jaar geleden geen rechtse grappenmakers.
En Toon Hermans dan?
Ach, Toon z’n broer, die ik nog eens heb geïnterviewd, was lid van de PvdA. En Toon hield veel van zijn broer en omgekeerd. En waren er destijds goede, leuke, logische opinies te lezen in de gezaghebbende kranten? Jawel. Lag er maar aan welke krant je las.
Tja… Ingewikkeld.
Het kan best zijn dat mijn gevoel voor humor aan slijtage onderhevig is, al denk ik dat niet. Ik verlang soms naar NRC Handelsblad van de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw. Met Karel van het Reve, Gerrit Komrij, Rudy Kousbroek.
Ik lach heel weinig tegenwoordig.
Heeft Bas Heijne de scherpte van een Karel van het Reve? Ik vind hem sympathiek, hij heeft van die keurige enerzijds anderzijds- standpunten maar dus overtuigen ze me enerzijds wel, maar anderzijds ook weer niet. En een collega-auteur als Ilja Pfeijffer? (Theodor haalt schouders op.) Eigenlijk vind ik zijn columns niks. Zijn laatste boeken heb ik niet gekocht. Hij zal de mijne ook niet kopen. Ieder van ons heeft een andere poëtica, een ander veld waarop hij speelt. Sander Schimmelpenninck dan? Ja, prima. Ben geen regelmatige lezer. Schrijft niet slecht. Maar hij overtuigt me niet. Het lijkt er soms op dat zijn repertoire bestaat uit één liedje, namelijk “alle eendjes zwemmen in het water’’ dat hij op de piano steeds een octaaf hoger of lager speelt.
En rechts dan? Daar zijn er op het ogenblik toch echt meer die ik waardeer. Uiteraard vooral Bart Nijman, die ondertussen Komrij-hoogte heeft bereikt. Ik ga ze niet allemaal opnoemen. Al mag Nausicaa Marbe absoluut niet vergeten! De echte opvolger van Renate Rubinstein.
Maar nog steeds heb ik geen goede verklaring voor hoe ik nou bepaalde standpunten, vooral pioloitieke standpunten moet beoordelen. En hoe ik aan die standpunten kom.
Ik heb destijds op JA21 gestemd, omdat ik weg ben van Annabel Nanninga (veel humor en kan verdomde goed schrijven, maar dat kan Martin Bosma van de PVV ook) en Diederik Boomsma (helder denker, kan goed vertalen), maar ik weet ook wel dat dat van mij rare argumenten zijn om achter een heel partijprogramma te staan. Het heeft te maken met vertrouwen. Omdat ik Annabel aardig vind, vertrouw ik haar en kan het me verder niet zo heel veel schelen wat ze vindt.
Kortom: ik laat mij niet zozeer overtuigen door diepgaande inzichten, maar eerder door hoe die standpunten worden verwoord. En door wie. Jesse Klaver en Jan Paternotte kunnen opvattingen hebben die de wereldvrede dichterbij brengen, ik zal nooit op ze stemmen vanwege psychische en fysieke afkeer. Ik zal ook nooit vrijwillig een artikel van ze lezen. Zo zal ik ook nooit stemmen op een islamiet, omdat een mohammedaan een vriend van mij op gruwelijke wijze heeft vermoord. Niet alleen kan ik me daar niet overheen zetten, dat wil ik ook niet.
Hoe komen andere mensen aan hun opvattingen?
P.S. De koran heb ik trouwens gelezen. Een onbegrijpelijk boek. Zeker als je het vergelijkt met de bijbel, die prachtig geschreven is en vol mooie verhalen zit. En humor bezit! (Sarcasme, ironie, overdrijving… Daarover een volgende keer.) In de koran zitten alleen maar geboden.
Ik ben het zó vaak roerend met je eens... en dat wou ik al gaan tikken voordat ik dat over de bijbel had gelezen
=
Het volgende artikel schreef ik voor de Groene Amsterdammer (4-2-26.) Ik schreef dit stuk eigenlijk omdat ik me had geërgerd aan Adriaan van D. die een pulproman had geschreven over de driehoeksverhouding die hij had met Ellen Jens, de vrouw van Wim T Schippers. Het was werderom kitsch wat Adriaan had gemaakt. Ik wilde daar het kunstenaarschap van Wim tegenover zetten.
Over Wim T Schippers
‘Dit is afschuwelijk! Dat dit op de televisie uitgezonden wordt!’ zei mijn vader. Hij stond op van zijn stoel en liep weg. Hij kon het niet meer aan. Ondertussen rolde ik over de vloer van het lachen. Ik zag het milieu waartoe ik wilde behoren. Het zal 1973 zijn geweest. We keken naar de Barend Servet-show van Wim T. Schippers. Schippers was behalve beeldend kunstenaar ook schrijver van liedjes, toneelstukken en televisiespelen. Zelfs beknopt uitleggen wat hij dacht, vond en maakte, zou de hele lengte van deze rubriek in beslag nemen, maar hij was en is een groot kunstenaar. Bijna dagelijks zag ik hem destijds schrijven in Bodega Keijzer in Amsterdam. Hij schreef met ballpoint in grote Margriet-blokken; soms lachte hij om iets wat hij zelf had gemaakt. Ik wist destijds al dat hij zich verbonden voelde met de Fluxus-stroming, een vorm van neo-dada die uitging van het adagium: ‘Alles kan kunst zijn.’ Had het dan geen kwaliteit? Volgens mijn vader absoluut niet, volgens mij wel — grote kwaliteit zelfs, en zo denk ik er nog over. Wim Schippers’ kunst — en dus ook zijn literatuur — was één grote middelvinger naar de kunstopvatting en de burgerlijke manier van leven van destijds, en alles wat hij deed had humor. Onze humor. Schippers’ kunst zaagde de generatie van vóór en na de oorlog doormidden. Ook zijn literaire kunst. In elke televisieshow grossierde hij in nieuwe woorden en uitdrukkingen. Hij verzon: gekte, pollens, ronflonflon… Expres liet hij grappen mislukken; hij schreef monologen die ogenschijnlijk geen begin, midden en eind hadden. Het mocht expres niet vloeiend zijn. De door hem geschreven liedjes hadden we op een cassettebandje: ‘Waar gaat dat heen’, ‘Waar heb ik dat nou voor nodig’, ‘Juliana’. Zonder Schippers was er volgens mij geen Van Kooten en De Bie, geen Jiskefet, geen Hans Teeuwen geweest. Schippers verzette zich tegen het overgecultiveerde; hij was tegen het zogenaamd chique, tegen het pedante, tegen het sentimentele, tegen de nepromantiek. Elke regel barstte van de ironie. Hoe vaak zongen we niet:
‘Ik ben Gerrit.
Ik ben Gerrit en ik steel als de raven.
Ben een boef in de ogen der braven.
Maar wat moet je nou, als je niks hebt
In deze wereld waar je steeds wordt genept…’
Dat lied is een levenslied, een tranentrekker. De smartelijke omstandigheden van ‘Gerrit’ worden uitgebreid verhaald. Gerrit stal een broodje bij de bakker… Dan zingt Gerrit:
‘Zo groeide ik op, ja, voor galg en voor rad,
Het stelen, dat kon ik niet laten.
Ik heb in mijn leven al heel wat gejat
En ik zit nooit zonder dukaten.
Ik ben nu beroemd en berucht in het land,
Een brandkast, die kan je me geven.
Begon met een broodje, nu zit ik geramd.
En zo blijft het de rest van mijn leven.’
Kortom: misdaad loont! Amoreel? Ironisch? Schippers houdt niet van auteurs die glas oppoetsen alsof het kristal is; liever is hem echt kristal dat hij moedwillig van de tafel stoot. Laatst las ik weer een zin van hem: ‘Dat is eigenlijk heel eenvoudig, maar dat is het ingewikkelde ervan.’ Zo schreef Schippers duizenden zinnen. Alles loshakken, verbouwen, uitvergroten, absurd maken. Dat doet hij met de taal. Uniek in Nederland. Er bestaan bij Schippers geen vaste patronen, maar hij maakt wel nieuwe: ‘Pardon reeds.’ ‘Verdomd interessant.’ Schippers ontluistert, en dat is schoonheid. Wat een groot literator, wat een groot kunstenaar!




De eeuwige wederkeer. Zo'n raak stuk over - toen nog: bij leven - Wim T. Schippers is ineens een
niet te verbeteren in memoriam. Dank Theodor.
…gelukkig maakt u mij wel aan t lachen, of glimlachen; in ieder geval word ik altijd reuze blij van het geschrevene! Dank daarvoor! #laatstedermohikanen?