Ha C.3.3.
In onze onderwereld kom je als je het wetboek inlevert en de test over het gebrek aan geweten hebt doorstaan.
Van de Amsterdamse penose heb ik eens vernomen dat ze een bijzondere wijze van balloteren hadden. De jonge discipelen werden mee uit eten genomen naar een drie Michelinsterrenrestaurant dat speciaal voor hen was afgehuurd. Na het verrukkelijke voorgerecht werd het hoofdgerecht opgediend onder een cloche, zo’n metalen deksel in de vorm van een halve bol. Na een “één, twee, drie!’’ werd de cloche opgetild en zag men levende donkergrijze stinkratten. Die moesten met mes en vork worden gedood en in stukjes worden gesneden.
Wie geen mededogen heeft, bezit geen geweten en wie geen geweten heeft, maakt van de dood een paljas, de enige vriend van een bandiet aan wie ze zich willen spiegelen zonder hem te bewonderen.
Voor misdadigers in de onderwereld bestaat de dood feitelijk niet. Ze geloven niet dat die bestaat. De dood is handig voor valse dilemma’s. “Je geld of je leven! Of, in de moderne uitvoering: “Geef al je geld of ik martel je kinderen tot de dood.’’ De magie van zo’n zin is dat je niets anders kunt doen dan van die woorden al schrikken. Schrik je daar niet van dan is een shoot-out dichtbij, als je tenminste aan een wapen kunt komen.
Ik herinnerde me, toen ik de film Odysseuys zag, hoe de held de rand van de onderwereld bereikte en bloed moest offeren, want pas dan zouden de doden kunnen spreken. Want het zijn de doden die ons van een geweten willen voorzien. Luister naar ze… In de onderwereld zitten bij Homerus nog aardige mensen, want daar mag iedereen die gestorven is verblijven. Maar in de Ilias heeft Homerus bedacht dat er onder de onderwereld nog een wereld moet zitten: de Tartaros. Dat is een gevangenis, speciaal ontworpen voor oppergod Zeus, die zegt: ““Ik grijp jullie vast en slinger jullie in de nevelige Tartaros, heel ver weg, waar de diepste afgrond onder de aarde ligt; daar zijn ijzeren poorten en een bronzen drempel, zo ver onder Hades als de hemel boven de aarde is.”
Wie daar terechtkomt wordt constant gefolterd, terwijl je dus al dood bent.
De onderwereld in deze tijd huist bij je in de straat, misschien wel in je huis en vrijwel zeker in jou.
Wie de dood niet serieus neemt, maar ziet als een domme kompaan, verwordt tot een ware misdadiger. Dat geldt ook voor de autocraat die zijn volk offert en de dood injaagt. Maar wat die aantoont is dat elk geweten zich kan aanpassen aan elk welklinkend isme: fascisme, communisme, islamisme, nationalisme etc.etc. Men wil voldoen aan het ideaal en daar levende zielen voor offeren. Ik denk niet dat jij en ik nu in staat zijn om losbandig met de dood om te gaan. Maar als “ze” onze ouders doden, onze kinderen, onze kleinkinderen, onze vrienden, onze echtgenoten… dan ga ik bij de Paljas op bezoek en vraag of hij met mij meereist als ik ga passagieren op een schip naar de onderwereld. “Waarom wil je dat?’’ zal de Paljas vragen. En ik zal antwoorden: “Omdat ik ten einde raad ben.’’
Ja… ten einde raad… en daarom vraag ik aan de Paljas de laatste raad. “Wat moet ik doen?’’ Ik denk dat hij zegt: “Weet je dat in de onderwereld ook het verzet wordt geboren? Dat vragen de doden dan aan je.”
Okee, C.3.3. ik groet je.
Theodor
Kort verhaal
Reünie
Tijdens de reünie dacht hij: “Het lijkt wel of iedereen op z’n eigen uitvaart staat.’’
“Hee Willem, jij bent toch Willem?’’ hoorde hij. Hij draaide zich om.
“Ja, Kees, ik ben nog steeds Willem.’’
“Ja, ik herkende je wel, maar ik zie je slecht. Ik bedoel…’’
Kees wees naar zijn ogen.
“Ik heb ook van die rotogen,’’ zei hij.
En ofschoon ze elkaar dertig jaar niet hadden gezien was het gesprek alweer afgelopen. Hoewel, hij zag dat Kees zich naar hem toe boog en toen zei: “Ken jij die Elisa van Dommeren nog?’’
“Nee, hoezo?’’
“Nou niks, ik bedoel, ik hoorde daarnet dat ze dood was.’’
“O, ik ken haar niet. Zat ze bij ons in de klas?’’
“Nee, ze zat hoger…nee, lager… weet ik niet meer…ze was jonger… ja, lager.’’
“Ze zat een klas lager?’’
“Ja, en nu al dood… Ik heb met haar nog op de Amstel geroeid. Net als met Govert van Daal.”
“Zat die ook bij ons in de klas?’’
“Ja… ja toch?’’
“Z’n naam zegt me niets… Weet jij hoe het gaat met Eva Gootendorst?’’
“Eva? Waarom… Waarom wil je dat weten? Weet je het niet?’’
Hij keek Kees aan.
“Nee, ik weet het niet… Wat is er dan? Is ze ook dood?’’
“Zelfmoord gepleegd.’’
Hij schrok.
“Al zeker twintig jaar geleden,’’ zei Kees.
“Aha…’’ Hij wilde van het gesprek af. En hij wilde naar huis.
Al die doden. En Eva al twintig jaar dood. Zelfmoord.
In de vijfde klas van de middelbare school was hij verliefd op Eva geworden en tijdens de studie had hij vijf jaar lang op haar gejaagd. Twee keer waren ze met elkaar naar bed geweest en toen zei ze: “Ik zie het gewoon niet in jou. Ik hou wel van je, maar ik ben niet verliefd.’’
Twintig jaar geleden hoorde hij dat ze gescheiden was nadat haar kind was overleden. Hij probeerde nog in contact met haar te komen, maar ze liet niks horen, wat hij wel begreep. Z’n condoleance zou verkeerd begrepen kunnen worden want waarom wilde hij uitgerekend haar condoleren?
“Maar Francois was met haar getrouwd!’’ zei Kees opeens, “die kan je misschien wel meer over Eva vertellen.’’
“Francois met haar getrouwd?’’
“Francois! Francois!’’ schreeuwde Kees, “Dit is Willem, die wil met je praten!’’
En even later stonden hij en Francois tegenover elkaar. Francois leek last te hebben gehad van een bepaald insect dat z’n huid had weggevreten waarna het/die (anders denk je dat het om het insect gaat), of: z'n huid had weggevreten, die (vervolgens) op bepaalde plekken... op bepaalde plekken was bepleisterd met perkament dat aan het vergelen was.
“Ik zat met Eva in de klas,’’ zei hij nadat hij zich had voorgesteld, “ik hoorde daarnet dat ze al een aantal jaren geleden is overleden.’’
Francois keek hem aan en zei: “Jij bent Willem?’’
Hij noemde weer z’n voor en achternaam.
“Ik zat twee klassen hoger dan jij,’’ zei Francois, “ Ik heb je, denk ik, eens gezien op een klassenfoto… Jullie waren zestien. En na jullie eindexamen heb jij nog lang achter haar aan gelopen.’’ Francois lachte licht.
“Dat klopt…’’
Omdat Francois vervolgens zweeg zei hij: “Ik hoorde… dat Eva… was ze ziek of…”
“Eva hield van niemand. Ook niet van mij,’’ zei Francois, “misschien kon ze niet van iemand houden. Ik weet het niet. Ze hield niet van haar eerste man en niet van mij. Misschien hield ze van haar kind dat gestorven is aan jeugdkanker, maar daar sprak ze niet over.’’
“Wat vervelend.’’ Hij schaamde zich voor de twee loze woorden waarin hij niet de emotie kon leggen die hij wilde.
“Ze vond jou wel aardig geloof ik… Een beetje. Ze vind/vindt of vond iedereen een beetje aardig. Ik ben tien jaar met haar getrouwd geweest. Tien jaar lang zei ze met enige regelmaat: ‘Ik denk dat ik van je hou, maar ik weet het niet.’ Het was of ze altijd op jacht was naar een grote liefde en opeens kwam ze erachter dat die voor haar niet bestond. Maar ze is al negentien, bijna twintig jaar dood. Ik ben haar niet vergeten, maar ik ben nu wel gelukkig.’’
“Dat is fijn…’’
“Ja,’’ zei Francois, “maar ze was zo mooi, zo mooi, ik was graag met haar gelukkig geweest. Maar ze hield niet van me… En ook niet van zichzelf.’’




