Beste P.,
Uiteraard probeer ik me de hele tijd beschaafd te gedragen, maar dat lukt domweg niet. Soms staat beschaving de rechtvaardigheid in de weg. Soms is mijn beschaving niet de uwe. Soms blijft er ook niets anders over dan onbeschaafd te zijn. Dan moet ik schreeuwen, met stenen gooien, met vlaggen wapperen. (Moge God verhoeden dat ik dit ooit ga doen, maar dat terzijde.) Ik begrijp revolutionairen dus goed, maar beschaafd is het niet. Het wordt gevaarlijk als onbeschaafdheid niet wordt gecorrigeerd. Wanneer ik de ruiten ingooi van een of ander kapitalistisch bedrijf of een belangrijke universiteit en de politie daarbij staat toe te kijken, duurt het niet lang voordat onbeschaafdheid als normaal wordt ervaren en beschaafdheid als een domme uitzondering.
Beschaafden zijn zwak: je kunt ze in de maling nemen, verwonden, slaan, kapotmaken, gevangennemen, martelen en executeren; kortom, je kunt hun al die dingen aandoen die revolutionairen doen.
Maar soms denk ik dat ik revolutionair moet worden, om de eenvoudige reden dat ik niet weet hoe ik alles wat er in Nederland gebeurt, moet keren.
Kijk, daar loopt een antisemiet… naast die jongen met de Palestijnse vlag. En kijk, daar loopt een dakloze… Ik weet niet uit welk land hij komt, maar zo te zien is hij niet van hier. ‘Zeg je nu: hij is niet van hier?’ Ja, dat zei ik inderdaad. Mag dat niet? ‘Het klinkt nogal… nogal discriminerend… Je ziet iemand met een andere huidskleur en je zegt: hij is niet van hier. Alsof je wilt zeggen: hij moet hier weg!’ Nee, dat zeg ik niet. Ik zie een sloeber die mijn taal niet spreekt en die op een gevonden matras op een grasveld in de Falckstraat ligt. Naast hem staat een grote tas met gevonden blikjes. En nog een AH-tas met iets onduidelijks. Wat voor toekomst heeft hij? Wat voor toekomst hebben wij hem te bieden? Ik heb zo’n flauw vermoeden dat die arme sloeber niet achter Israël staat, maar ik kan me natuurlijk vergissen. Ik kan deze arme sloeber trouwens niet aan een huis helpen, niet aan geld en niet aan eten, tenzij de liefdadigheid exponentieel toeneemt. Liefdadigheid is een groot goed, maar waarom zou de daad van liefde voor de een wel gelden en voor de ander niet? Er zijn te veel sloebers en er is altijd te weinig liefdadigheid. Want wie hebben er niet allemaal liefdadigheid nodig? Kinderen die niet meer kunnen lezen en rekenen, volwassenen die geen huis hebben en ouderen die zich eenzaam voelen. Een pilletje tegen eenzaamheid is een euthanasiepilletje, maar die mogen nog steeds niet zomaar worden voorgeschreven.
Het rare is dat ik, terwijl ik dit schrijf, moet denken aan bepaalde beelden die ik zag tijdens een overstroming. Ergens in Europa trad een rivier buiten zijn oevers. Op de achtergrond zag je mensen ernaar kijken, versteend, aan de grond genageld, heet dat. Zo staan wij nu ook te kijken, aan de grond genageld, versteend, naar wat er allemaal in de actualiteit gebeurt: islamisme, oorlogsdreiging, een niet-werkend minderheidskabinet, huizenkrimp, et cetera. Je voelt je voeten eerst nat worden. Je doet niets. Dan word je tot je middel nat; je voelt niets. Nog even en het water staat tot aan je kin, en vervolgens stijgt het nog hoger.
We zwemmen niet; we watertrappen. We kunnen gewoon niets doen. En dus moet er iets gebeuren, of we verdrinken. Ik heb het je al vaak gezegd: het oude Europa is verloren. De Romeinen trekken weg en kijk, daar heb je de nieuwe middeleeuwen. En met elkaar praten lukt ook niet, want we hebben een hekel aan elkaar. Wie zijn er tegenwoordig godverdomme níét tegen de Joden? Waar je ook kijkt, zie je Jodenhaters: bij de kranten, op de televisie, bij de universiteiten, de voetbalclubs, de scholen, de boekwinkels, de songfestivals… En wat doen wij? Niks. Moeten we iets doen? We kunnen niks. Het komt ons voor als een natuurramp. Het water loopt al over de schoenen… Nu al tot mijn knieën. En het kan niemand iets schelen.
Kort verhaal
Tante Christien
Hij ontdekte pas bij het opruimen van het huis dat zijn moeder een langdurige affaire had gehad met tante Christien.
“Ik verlang naar je lichaam, naar je kussen en gewoon naar je aanwezigheid. Dat je hier bij me bent en ik thee voor je zet. En dat we samen wandelen en daarna in bed gaan liggen.”
Waarom las hij dit met het schaamrood op de kaken en met een versnelde hartslag?
Het waren de woorden van tante Christien. Een typisch meisjeshandschrift uit de vorige eeuw, met kleine bolletjes als punten op de i, de j en de ij. En uiteraard stond er aan het einde van de zin géén punt, maar een hartje. De eerste brief was uit 1977, de laatste uit 2013. Dat was geen brief meer, maar een geprinte mail. Een maand voor de plotselinge dood van zijn moeder had ze die zelf nog uitgeprint. Na die datum vond hij geen post meer.
Hij wilde de brief helemaal lezen, maar kon zich er nog niet toe zetten. Het stapeltje bestond uit zo’n vijftig brieven, al dan niet met envelop. Ze had ze bewaard.
Waarom had zijn moeder hier nooit iets over gezegd? Opeens werd er zoveel duidelijk.
Hij zocht verder in het kastje. Geen brieven van zijn vader. Wel een paar ansichtkaarten van tante Christien en oom Frank. Uit Rome. De ene was een ansichtkaart van de Basiliek van Santa Maria Maggiore, de andere van Santa Maria in Trastevere. Tussen beide ansichtkaarten zat een jaar. De tekst achterop was hetzelfde: “Van de Heilige Maria naar de Heilige Maria. Groetjes, Chrissie en Frank.”
Zijn zus belde.
“Hoe is het daar?” vroeg ze.
“Een huis leegmaken is niet leuk. Voor de grote spullen heb ik vanmorgen de kringloopwinkel gebeld. Die komen morgen. Dat voelt toch als een soort verraad…”
“Snap ik,” zei zijn zus.
“Ik heb verder alles waarover we een beslissing moeten nemen in de voorkamer gezet… Maar iets anders: hoe zou jij het huwelijk tussen pappa en mamma typeren?”
“Als voorbeeldig, ouderwets degelijk en burgerlijk. Pappa zorgde voor het geld, mamma voor ons. En later, toen pappa was gestorven, zorgde mamma voor ons. Hoezo?”
“Ja… Ja… Ik heb twee ansichtkaarten van tante Christien gevonden…”
“Ach, tante Christien en oom Frank… Tante Christien bleef een beetje hippie. Toen ze 65 was en oom Frank al was overleden, kwam zij op haar zestigste met een veel te korte rok bij ons logeren.”
“Ja,” zei hij.
“Ik vond haar wel leuk… Mamma moest altijd om haar lachen. We zijn vergeten haar een kaart te sturen, ik weet niet eens of ze nog leeft. Ze stond niet in het adresboekje van mamma…”
“Ja… Nou, ik ga weer door met opruimen.”
Broer en zus namen afscheid. Hij ging weer naar het stapeltje brieven. Waarom zou zijn moeder die hebben bewaard? Wilde ze dat wij ze zouden vinden?
“Wat maakt het uit,” dacht hij, en hij begon de laatste brief van tante Christien te lezen.
“Lieve Mar… Toen jouw Bert en mijn Frank waren gestorven, dacht ik: nou begint het voor ons! Voor jou en mij. We zouden naar Rome gaan en naar Barcelona. En toen kwam die rotziekte en…”
Hij kon niet verder lezen. Er trok een vorm van boosheid door zijn lichaam die dicht tegen verdriet aanhing.
“Waarom niet gewoon aan ons verteld?” dacht hij.
Hij haalde diep adem en belde zijn zus.
“Ben ik weer…” begon hij.
De column van Koos
Lees: De truc van Ferdinand Hania.





Hartverscheurend