Haat is een deugd, zei Flaubert
Was vroeger maar de toekomst
Lieve S.
Haat - ik weet er behoorlijk veel van.
Ze zeggen dat het je denken vergiftigt, maar mijn denken heeft het vaak gestimuleerd.
Haat lijkt op een geheim brouwsel dat je drinkt en je energie geeft, terwijl het zich met diezelfde energie voedt. Hoe dat kan weet ik niet.
Je krijgt de onmiddellijke, maar uitputtende behoefte om iets recht te zetten. ‘t Liefst door iets kapot te maken. Haat heeft één groot nadeel: humor vindt er geen onderdak.
Hebben wij elkaar gehaat? Ik geloof het niet. Niet echt. Je hebt me wel verdrietig gemaakt en jaloers.
Hoe oud waren we? 21 geloof ik. Jij viel, terwijl je wist dat ik verliefd op je was, voor een stoere, veel te luid pratende ordinaire kale klootzak. Ik haatte je toen. En toen het tussen jullie ‘uit’ was (hij bedroog je, daar kan ik nog vrolijk om worden, maar jij bleef maar last hebben van liefdesverdriet wat mij toch droeviger maakte dan ik al was) verweet je mij dat ik andere S. had zwanger gemaakt en bij haar had aangedrongen om naar zo’n abortuskliniek te gaan. Dat was niet waar, zoals je later van haar hebt gehoord. Maar toen was je al getrouwd en naar Engeland verhuisd. S. bleek niet zwanger te zijn. Wat dat medisch was, weet ik niet. Schijnzwangerschap, geloof ik. Pseudocyesis. We hadden toen geen zwangerschapstesten en we kwamen er pas achter toen zij naar mevrouw Boonstra was gegaan, een gynaecoloog. Nooit zal ik de regels vergeten die ik nog eens in een toneelstuk moet verwerken:
Gynaecoloog (G): “Gefeliciteerd, je bent niet zwanger.’’
S: O, God… nee, Nee! Nee, ik ben wel zwanger.’’
G: Je bent echt niet zwanger S.
S: Jawel!
In een paar clausen haar hele drama uitgelegd. Ze wilde dolgraag zwanger worden. Dit alles gebeurde vijftig jaar geleden.
Laat ik eerst even wat recht zetten wat je in je mail vraagt: nee, jij komt in geen van mijn boeken voor. Dat je Esther hebt herkend uit mijn prachtnovelle “Als de liefde” is al wonderlijk, maar dat je Alma en Bob hebt herkend in mijn fantastische roman “De trip van Ferdinand Hania’’ vind ik knap. Maar dan jouw zinnetje: ‘’Waarom schreef je in Hania niet over mij?’’ En dan achter die zin een smiley. Tja, waarom niet? Omdat je me, als ik over je zou schrijven, je mij vervolgens zou haten, je dan niet meer op straat zou durven komen en je je in het openbaar zou willen excuseren omdat je mij destijds zo slecht behandeld hebt. (Smiley).
De drama’s die ons leven tekenden relativeren de problemen die we nog gaan tegenkomen, niet in de laatste plaats de confrontaties met de dood, die kille wind die steeds harder en kouder begint te blazen. Ik schijf te veel over de dood hoor ik soms, maar hij zit me tegenwoordig constant op een bankje in mijn kop uit te lachen.
“Waarom lach je?’’ vraag ik soms.
“Ik zeg niks,’’ antwoordt hij dan. Maar ik denk dat hij geniet van mij als Mislukt Persoon. Denk je ook niet?
Haat! Ik vraag me af hoe je als jong mens kunt weten dat elke vorm van haat je op latere leeftijd voorkomt als absurd. De man aan wie je je vriendin of vrouw hebt verloren, wordt getroffen door kanker. De vrouw die jou niet zag staan, moet haar beide borsten missen. De vriend die jou zomaar in de steek heeft gelaten, moet het gekkenhuis in wegens een verslaving.
“Maar Theodor, jij hebt ook wat mensen bezeerd.’’
Ik weet het, dat hoef je me echt niet onder de neus te wrijven.
Maar soms zou ik willen dat ik nog kan haten. Ik bedoel, dat ik mensen van vlees en bloed kan haten. Ik bedoel, ik bedoel, dat ik mensen van vlees en bloed kan haten die er toe doen. Ik bedoel, ik bedoel, ik bedoel, dat ik mensen kon haten die door mijn haat getroffen zouden worden. Maar als ik nu oprecht iemand zou haten, zou ik het afleggen wegens te zwak. Dat bedoel ik. Ik geef mij meteen over.
Dus nee, ik haat je niet. Ik kan het niet meer. Ik weet niet meer hoe dat moet. Het is als met pianospelen. Ik weet hoe ik mijn vingers moet neerzetten, maar die weigeren. De blues zit in m’n lichaam maar bereikt de toetsen niet meer. Haat moet je op orde houden, moet je oefenen, denk ik.
Ik ga deze brief nu afsluiten. Ik zou je graag een wijsheid meegeven waar je wat aan hebt, maar ik heb ze momenteel niet in voorraad.
Ik groet je en kus je.
T
Nog even een nawoord.
Nadat ik mijn brief aan je had afgesloten ging ik naar bed. Ik besef maar niet dat je in Engeland woont. Voor mij woon je nog steeds in de Vondelstraat. Ik dacht, we spreken af in Welling of in Gruter en dan praten we verder. Maar het is zo gek, ik weet dat je “niet in orde” bent en dat je in het buitenland woont, maar dat vergeet ik zodra ik het woord tot je richt. In je brief schrijf je dat B. is overleden en dan je zin “ook door het wereldnieuws”. Begrijp ik nou dat je denkt dat er een correlatie bestaat tussen De Gevreesde Ziekte en de oorlog in Oekraïne? Of de strijd in Gaza? (Ik ben voor Israël zeg ik maar even). Dat je je opwindt over wat er allemaal gebeurt snap ik, dat doe ik ook, maar ik wil niet kinderachtig zijn, als je de oorlogen in de wereld als oorzaak ziet van vreselijke ziektes dan zouden de inwoners van Oekraïne, Rusland, Israël, Gaza, Libanon, noem maar op, allemaal De Gevreesde Ziekte hebben. Nu geloof ik wel dat de weerstand van die mens door oorlogen, spanning en strijd niet bijzonder hoog is en wordt aangetast, maar denk je toch niet dat door de genen van B hij als het ware “voorbestemd” was om die ellendige ziekte te krijgen? Zijn vader kreeg het op jonge leeftijd, zijn broer, zijn moeder, zijn zuster, jullie zoon en ja, hij ook.
Misschien komt het door mijn vak van auteur-journalist dat ik geniet van bonje, terwijl ik uiteraard mijn engagement vertaal in grote verontwaardiging. Maar die verontwaardiging is voor een groot deel hypocriet. Ik kan schrijven dat ik Poetin een klootzak vind - en dat meen ik ook - maar ik denk toch: zulke klootzakken besturen nu eenmaal de wereld en komt van tijd tot tijd bovendrijven. Ik geloof dat de betrokkenheid van de mens bij het wereldgebeuren weliswaar oprecht is, maar als er iets met hem gebeurt (hij wordt ziek of een van zijn familieleden of vrienden of vriendinnen ziet hij lijden) dan zal hem het wereldgebeuren aan zijn reet roesten. Tenzij die zieke functionarissen in zijn nabijheid onwel zijn geworden door een oorlog of zo. Maar dan nog…
Nu ga ik echt slapen.
Good night.
Als ik aan je denk zoals je vijftig jaar geleden was, is dat dan fijn of verdrietig? En voor wie? Sterkte met alles. “Our bodies are our gardens, to the which our wills are gardeners” - Othello).
T. De Verlegen Jongen.
Ik raad iedereen aan De trip van Ferdinand Hania te lezen. Lees De trip van Ferdinand Hania
Kort verhaal
Het leven
Ze keek uit het raam en zei tegen hem:
‘Straks word ik 37. Toen ik 14 was, waren al mijn vriendinnen mooier dan ik, maar ik had Jeroen, de gymleraar, die verliefd op me was. Dat zei hij tenminste. En ik geloofde hem, want ik kreeg een hangertje met een gouden hartje. Een half jaar later was ik zwanger en moest ik me laten aborteren. Van hem, mijn moeder en mijn vader. Jeroen verdween uit mijn leven en was gelukkig bij zijn vrouw.
Een jaar later was ik weer zwanger. Vlak voor mijn eindexamen. En terwijl iedereen het eindexamen vierde, kreeg ik Peggy. De vader van Peggy was Eddy, en die reed zich op Peggy’s eerste verjaardag dood. Daar stond ik, met wat vrienden van hem, mijn ouders en zijn ouders — die mij haatten — in het kleinste zaaltje van het crematorium. Want hij moest ook nog gecremeerd worden, wat ik een vreselijk idee vond… Kun je dit nog allemaal aanhoren?’
‘Het is niet leuk allemaal.’
‘Ik zal enkele hoofdstukken overslaan… En opeens dacht ik dat ik gelukkig was…’
‘Het spijt me.’
‘Opeens dacht ik: misschien is dit wel geluk… Iemand die echt van me houdt, die me elke dag wil zien…’
‘Ik hou ook echt van je.’
‘Je was vurig en mooi. Je was interessant en je gaf me zelfvertrouwen. Je was wijs en nog een kind.’
‘Ik kan je niet zeggen hoe erg het me spijt.’
‘Toen ik laatst ongesteld was, voelde ik voor het eerst in mijn leven iets van teleurstelling. Ik dacht: ik zou best een kind van hem willen hebben, al weet ik niet hoe ik dat financieel had moeten doen. Maar misschien… Ik droomde zo.’
‘Ik weet niet wat ik moet doen…’
‘Ik dacht wéér, wéér dat er iemand echt verliefd op me was.’
‘Ik ben… echt verliefd op je.’
‘En nu weet ik niet of ik verliefd op jou ben. Ik denk het niet, eigenlijk. Maar goed. Ik zag wel enige toekomst.’
‘Het spijt me.’
‘Dat heb je nu al tien keer gezegd. En je hebt waarschijnlijk ook tegen Peggy gezegd dat je van haar hield. En hier staan we dan… Je hebt me een oude vrouw gemaakt. Ik word straks oma en zal zien hoe jullie leven straks een mislukking wordt.’
‘Het wordt geen mislukking.’
‘Nee… Het wordt geen mislukking, want ik zal voor dat kind zorgen.’
‘Ik ook!’
‘Nee, dat wil het leven niet.’
Lees De Trip van Ferdinand Hania.



