Frontchirurg
Aflevering 3, krankzinnige ezels
Opmerking: Lees voor een goed begrip de vorige twee substacks
Aflevering 3
De man en Romeo van Margareth was trouwens een buikgespekte viersterrenbink die rook naar stafkaarten en knoflooksalami.
Hij zag mij ook als een stukje worst.
Elke vrouw was voor hem vermoedelijk een lekkernij op een schaal die alleen voor hem was.
‘’Hoe gaat het met de strijd?’’ vroeg ik alsof ik nieuwsgierig was naar een gezamenlijke kennis, wat in feite overeenkwam met de waarheid. Vooral generaals houden trouwens van belangstelling voor de oorlog want daar weten ze veel van.
Viersterren Binkie Big nodigde me uit om me over een stafkaart te buigen. En natuurlijk voelde ik zijn hand op mijn bil.
En Margareth Uniform zag dit!
‘’Hier hebben we vijftig Russen gedood en hier verderop nog eens eenendertig van die klootzakken. Ze kunnen niks. Het zijn vieze varkens, domme vieze varkens. Smerige verkrachters. Ik wil hun bloed drinken en het vlees van hun botten knagen!’’
‘’Aha.’’
‘’Het zijn tyfusapen, walgelijke strontmuggen, ontstoken kloten, syfilis korsten, levende kankergezwellen, tandeloze pestratten, schizofrene hyena’s… Ze deugen niet.’’
‘’Ze deugen niet?’’
‘’Nee… ze deugen niet.’’
‘’Ze deugen niet!’’
‘’Nee, het zijn krankzinnige ezels, debiele domkoppen, psychopathische boeven, ze zijn stom.’’
‘’Ze zijn stom.’’
Ondertussen bleef handje op billetje. Sommige mannen denken dat ze een Midas-hand hebben die een vrouwenbil in krols goud kan veranderen dat schuimzacht wordt van willigheid.
Maar ik was blijkbaar niet zacht genoeg. Hij ging kneden.
‘’We gaan ze hier, bij H 23, bombarderen met…’’ Hij noemde de naam van tank of een geweer, in ieder geval iets met veel kruit.
‘’Mooi,’’ zei ik.
Goddank sloegen de honden aan en kwamen er weer doden en gewonden binnen. Dat ik daar nog eens blij mee kon zijn! De hand begreep dat hij van m’n bil moest.
‘’Aan het werk,’’ zei hij, ‘’maak onze soldaten weer levend. We hebben ze nodig.’’
Het was een trieste zin uit de keel van een bekakt pratende eikel; vermoedde hij werkelijk dat ik kon toveren en de loshangende darmen, de aan flarden geschoten lever en de over de wangen druipende hersenen met een spreuk kon genezen? Zijn bevel was door zijn onmogelijkheid onmenselijk, maar ik ken niemand in de hogere militaire rangen die het niet een eer vindt onmenselijk te zijn.
Margareth deed een schort voor en ging me helpen.
Opdat niemand ons zou verstaan, sprak ze Nederlands met me.
‘’Je moet me medicijnen geven.’’
‘’Wat?’’
‘’Chloroform en slaappillen.’’
‘’Waarom?’’
‘’Niet vragen.’’
‘’Komt in orde.’’
Ondertussen werden er weer meisjes en jongens op de operatietafel gelegd, als Gods eigen snacks. Voor mij en Margareth hadden ze degenen bewaard die voor 90 procent dood waren; soms zaagden we synchroon verschillende ledematen bij de verschillende krijgers af. Alsof we iets moois aan het figuurzagen waren in plaats van iets af te breken.
‘’Waarom willen we deze in leven houden?’’ vroeg Margareth me, “ wat kan de zin nog zijn van haar leven?’’
‘’Dat ze kan blijven leven. Dat is de zin,’’ zei ik, ‘’al is het als marionet aan verschillende machines.’’
‘’Maar als we verliezen. En ze beseft dat ze nooit oud zal worden?’’
‘’Zolang een mens iets te kiezen heeft wil hij blijven leven. Want zo lang hij kan kiezen beseft hij dat hij leeft.’’
‘’Maar als ze ervoor kiest niet meer te willen leven?’’
‘’Ook goed,’’ antwoordde ik.
Ik herinner me die kleine dialoog nog, want net op dat moment was ik twee kogels uit een schedel aan het pulken - en weer merkte ik toen niet dat de patiënt overleed.
-
Na afloop - we waren zeven uur bezig geweest en volkomen kapot - gaf ik Margareth wat resten chloroform en drie doosjes slaappillen.
Terwijl we bezig waren was de viersterrenbink nog even binnen komen lopen en na drie seconden flauwgevallen.
‘’Laat maar liggen,’’ zei Margareth tegen de “aides”- de persoonlijke assistenten van de generaal, jonge jongens die in zekere zin geluk hadden. Ze hoefden niet stante pede naar het front, maar moesten op tijd voor koffie, thee en whisky zorgen. Het was leuk om te zien hoe ze zich gedroegen als leeuwenwelpen die het King Leo naar de zin wilde maken. Alsof ze constant naar elkaar zongen: ‘’Ahimemeweh, ahimeweh, ahimeweh, ahimeweh…The lion sleeps tonight…’’
‘’Heb jij wel eens een aflevering van Mash gezien?’’ vroeg Margareth. Ze rookte een sigaar.
Ik knikte.
‘’Als ik Hot Lips zag, ging ik masturberen, ‘’ zei ze.
‘’Toen ik Mash zag was die serie alweer ouderwets. Ging over de oorlog in Korea, toch? Of Vietnam? Van beide ben ik mijn huiswerk weer vergeten.’’
‘’Alle oorlogen zijn al sinds de mensheid hetzelfde. Alleen de wapens veranderen. Ik masturbeer trouwens vaak op dode vrouwen. Tenminste, als ik hun films bekijk.’’
‘’Op wie dan?’’
‘’De bekenden… Marlene Dietrich in The Devil is a Woman, Greta Garbo in Anne Christie en Raquel Welch in 100 Rifles…’’
‘’Is die dood?’’
‘’Ja, Raquel is dood. Vorig jaar… Ik nam een voorschot op haar overlijden.’’
‘’Waarom vind je het fijn als ze dood zijn?’’ vroeg ik.
‘’Het besef dat ik ze levend zie terwijl ze dood zijn, prikkelt mijn fantasie. Zo moet cultuur zijn. Het levenloze moet de geest prikkelen. Wat leeft is geen cultuur.’’
‘’Hoe bedoel je dat?’’
‘’Een schilderij is dood, een boek is dood, een gedicht is dood, beeldhouwwerken, muziek… we hebben er wat aan als het dood is, niet meer beweegt, af, rond. Cultuur komt pas tot z’n recht als het leven eruit is.’’
Ze blies de rook in kringetjes uit haar mond.
Voordat ze vertrok besloten we elkaar te bevredigen.
-wordt vervolgd -



