Frontchirurg
Afklevering 8, Grond is stront.
8.
Mijn Apotheker telde tussen twee operaties ons “salaris” uit.
‘’Je moeder moet een tof wijf zijn,’’ zei hij.
‘’Tof ja, wijf nee,’’ zei ik.
‘’Sorry, dat is beledigend. Ze is vast een hele leuke vrouw.’’
‘’Leuk nee, vrouw nee.’’
‘’Dat ze dit doet betekent dat ze veel van je houdt.’’
‘’Dat ze dit doet, betekent dat ze niks om me geeft.’’
‘’Maar ze is tof, zei je.’’
‘’Tof uit plicht omdat ik haar dochter ben.’’
‘’Herken je je in dit oude Russische lied?’’ vroeg hij.
Hij draaide zich naar me om, maakte van zijn handen twee schotels en zong:
‘’Moedertje wil mij het liefste dood.
Dan heeft ze voor zichzelf wat meer brood,
la lala, lala
Mijn moeder slaat me zomaar elke dag.
Terwijl ze zegt dat ze mij reuze mag.
La lala lala.’’
‘’Ik herken elk woord, behalve het la la-gedeelte,’’ zei ik.
‘’Het is nog niet afgelopen… ‘’ De apotheker richtte toen zijn wijsvinger naar de hemel ten teken dat er nu iets leuk ging komen en zong:
‘’Moeder laat constant een harde scheet.
Ze eet graag broodjes lulworst bij de vleet.
La lala lala.
En is mijn moeder na het vreten uitgeput.
Dan verdwijnt die allerlaatste worst natuurlijk in haar kut.
La lala lala…’’
‘’Vind je het niet leuk?’’ vroeg hij met oprechte trots.
‘’Nou, ik herken mijn moeder in die laatste regels niet.’’
‘’Verdomme, nu zit dit liedje de hele tijd in mijn hoofd.’’
‘’Ik heb nu mijn moeder in mijn hoofd, ik zou graag ruilen.’’
De apotheker haalde zijn schouders op en zei: ‘’Zullen we naar bed gaan met elkaar?’’
‘’Bij bonobo’s schijnt het ontspannend te werken.’’
-
Margareth en haar generaal raakten betrokken bij de politieke en militaire ontwikkelingen in Kyiv.
Ze smste mij: ‘’Mijn Viersterrenpopje moet, samen met mij, beslissingen nemen of je jongens in het Westen de dood instuurt, of iets meer naar het Noorden. Uitgangspunt is daarbij dat we moeten zorgen dat er zoveel mogelijk Russen sterven. Uit rapporten die ik te lezen krijg, blijkt de huidige generatie Russische militairen tamelijk gevoelig voor geld, waarvan ze de waarde niet kennen. Ze krijgen maandelijks een flink bedrag en denken dat hun familie dat ook ontvangt als ze zijn gestorven. Maar dat krijgt hun familie niet. De praktisch analfabete soldaten hebben iets ondertekend wat alleen hooggeschoolde juristen kunnen begrijpen en waaruit blijkt dat hun familie helemaal niets krijgt behalve een trap na omdat hun zoon zo stom is geweest om te sterven. Hun soldij is dus eigenlijk, kortom, betrekkelijk gering; de meesten zijn binnen een maand gestorven.’’
In haar geschreven taalgebruik had Margareth soms een zweem van nuchterheid. Ondertussen vond zij het ook prettig de spin in het web te zijn, een bijenkoningin; goedbeschouwd was zij de hoogste in rang.
‘’Eigenlijk hebben wij geen vijand. Gisteren was ik met een gevangenenruil bezig. Ons kunnen die Russen niets schelen en die Russen kan het echt niks verdommen wat er met onze jongens gebeurt. Ik zei tegen de Saoedische diplomaat, want Saudi-Arabië regelt de ruil: ‘’Tussen onze jongens zitten ingenieurs, artsen, natuurkundigen, maar weet je wat er godverdomme tussen die Russische soldaten zit? Boeren en boeren en boeren. En dan nog meer boeren! Het zijn godverdomme niet eens vervelende agressieve klootzakken. In het krijgsgevangenenkamp kijken ze vol bewondering naar onze Hollandse melkmachines die de koeien melken. Daar houden ze meer van dan van hun eigen leven. Als ze godverdomme konden trouwen met onze De Lavalle- en Fullwoodmelkmachines dan zouden ze dat doen!’’
Ik hield wel van Margareth. Nou ja, op mijn manier dan. En wat die manier was had alles te maken met irritatie, bloed, orgasmes, dichte ogen en wegdromen, en dat alles met de intimiteit van de binnenkant van een gescheurde lijkenzak. Zoiets. Soms reisde ze zeshonderd kilometer - ze was toen al iets hoogs met twee of drie sterren - om mij “te zien.” En haar kille geremde gevrij met mij wond mij op als ik daar alleen al aan dacht. We waren beiden liefhebbers van smachten.
Margareth vertelde over de strategie van Oekraïne en uiteraard over de corruptie in het leger,.
Ik vertelde haar over de voortgang van onze plannen.
Margareth kon niet echt in mijn armen liggen. Ze lag daarin of ze smachtte naar iemand anders en ik wist zeker dat dat zo was.
Ik trouwens ook.
Maar terwijl ze de slaap niet wilde vatten, vertelde ze over de beslissingen die ze moest nemen.
‘’Je hebt geen idee hoe gelukkig de jongens en die paar meisjes zijn als ze…naar die verdomde verderfelijke verfoeide verschrikkelijke verklote vijand gestuurd worden. Blij zijn ze… opgetogen, opgewonden, opgejuind, opgekalefaterd, opgeroepen om te lopen naar vuur, naar pijn, naar stront, naar klootzakken, naar tyfus, naar cholera, naar hel, naar dood. De meeste hebben nauwelijks geneukt, zijn misschien tien keer dronken geweest, zijn uit hun wolk van levenslust ontvoerd, ze zijn volgepompt met schaamte om afscheid te nemen en haat jegens alles wat leeft, een opleiding in nutteloosheid… En ik begeleid ze, stuur ze, kijk ze in de ogen en weet dat ze nog maar een kilometer of wat in hun leven hebben te lopen en dan komen ze in het stinkniets, in de rotreet, in kotsland… Ik doe dit voor ons vaderland, trouwens, terwijl ik niet eens weet wat vaderland is… Neem een hoop stront, zand, verrotting en steen, hei er een grenspaal in en we noemen het vaderland.’’
‘’Grond, grond, grond, geeft stront, stront, stront,’’ rijmde ik bij wijze van samenvatting van het onheil in de wereld.
Ik hou vol, al kost het me moeite.
Groeten, Theodor
-



