Frontchirurg
Aflevering 13, De vrees voor verliefdheid
13
De psychiater kon zijn begerige ogen niet van me afhouden, maar was toch professioneel. We waren beiden “hoogopgeleid” of zoiets.
‘’Ik speel met m’n leven,’’ zei ik.
‘’Hoezo?’’
Schrok hij?
‘’Ik speel het spel: leven. Maar ik verlies steeds,’’ zei ik
‘’Stop met spelen.’’
Dat was een aardige.
‘’Kan ik niet.’’
‘’Waarom niet?’’
‘’In een spel is niks waar. Dat niets waar is, heb ik nodig. Als alles waar is, kan ik de doden die ik zie niet aan, ik kan de ziektes niet aan. Ik kan mijn zogenaamde moeder niet aan. De wereld niet. Ik vind het niet erg om rond te dwalen in een dystopie, maar hij mag niet waar zijn. ’’
‘’Hoezo?’’
‘’Mijn dystopie is een huis waarvan de voorkamer een operatiezaal is, de achterkamer een mortuarium en in de pannen van de keuken trekken ze soep van bloed en botten. Dat mag niet waar zijn. Dat moet een spel zijn.’’
‘’Maar het is geen spel.’’
Dat antwoord viel me tegen van de psychiater.
‘’Nee, alles is waar. Daarom zit ik hier. Jij moet me helpen het een spel te laten zijn,’’ zei ik.
Hij schreef iets op.
‘’Wat voel je?’’ vroeg hij toen.
‘’Ik zit gevangen,’’ zei ik. Je zou dat een patiënten-cliché kunnen noemen. Als je dat zegt voelen psychiaters zich weer op bekend terrein.
‘’Wat zou je willen?’’ vroeg hij.
-
Ik wilde leven, en daar moest ik voor zorgdragen.
Mijn leven was tussen de doden en gewonden.
Ik Kyiv voelde ik me ongelukkig.
Te weinig doden en gewonden.
Natuurlijk ging ik met de psychiater naar bed, maar ofschoon de seks goed was, werd ik er ongelukkig van. Ik was voor hem niet uitzonderlijk. En dat wilde ik toch als vrouw. Daarbij was hij iets te verguld met zijn ego. Hij was een bekendheid in het ziekenhuis. Hij liet niet na te vertellen hoe ongebonden hij was. Hij zei echt “vrij” te zijn. Dat stond me allemaal tegen. Zijn vrij zijn betekende dat hij alles mocht neuken, vele relaties van een half uur, zodat hij altijd onbevredigd was. Een vrouw was voor hem een vagina met een mond die hem constant bewonderend moest toespreken, maar het enige wat aan hem te bewonderen viel was zijn gevoelskitsch. Zijn orgasme was een roffel op zijn eigen borst.
Dag psychiater. Mijn mond zei daarnet: je was een lekker taartje, maar ik ben nu een beetje misselijk.
Ik wilde weer naar mijn frontgebied. Mijn geheime missie in het Militair Hospitaal te Kyiv zat er toch op en bij ons achter de frontlinie kon je de bloeddruk van de wereld goed opnemen.
En was er iets weldadiger dan het opsnuiven van de frisse lucht van verkrachtingen en lijkenzakken die te lang ongeopend waren? Aanstellerij? Probeer maar eens uit te leggen door wie of wat je het gevoel hebt dat je leeft en niet dood bent.
In Kyiv was de oorlog voor mij weliswaar aanwezig, maar slechts als een reeks schimmelinfecties, een aaneenschakeling van griep, een constante ontsteking aan oren en ogen. Ik vond mijn collega’s zeuren, hoewel er geweldige therapeuten tussen zaten.
Aan het front had ik eigenlijk alleen de laatste uitgave van het leerboek chirurgie nodig plus een boodschappentas met chirurgische keukenspullen. Elke dag bestudeerde ik daar iedereen die dood of gewond was. De wereld zie je in de ogen van die doden en gewonden. Oogbol is wereldbol. Die ogen zijn trouwens meestal gesloten door de dood of door pijn. Dood en pijn zijn met elkaar getrouwd en wonen in het Rattenrijk onder onze tenten.
Ik heb gezegd, Dixi. (Zo noemde ik mijn favoriete rat, of kat. Ik herkende ze doordat de een de ander in zijn bek had.)
-
Margareth was paniekerig stil toen ik vertelde dat ik terugging naar het front.
‘’Om mij?’’ vroeg ze, ‘’of omdat je je psychiater wil vergeten?’’
‘’Mijn psychiater is vermoedelijk mij al vergeten en is alweer 37 minnaressen verder.’’
‘’Hoe vond jij dat hij… Mij viel het tegen. Dat harde lichaam van hem…’’
Ik knikte, we lachten, roddelden nog wat, maar al snel rolden de traantjes over haar wangen.
‘’Ik kan besluiten je hier te houden,’’ snikte ze. Zelfs bloot had Margareth nog haar generaalsuniform aan.
Mensen die snikken zijn trouwens zelden oprecht. Hoewel, oprecht over hun zelfmedelijden zijn ze dan weer wel. Ik haalde mijn schouders op.
‘’Dan ga ik terug naar Nederland. Aan het front kan je me af en toe nog zien,’’ zei ik.
Ze stapte uit bed.
‘’Ik vrees dat ik ook verliefd ben geworden op je moeder,’’ zei ze.
Nee, ik schrok niet. Had zoiets verwacht, gek genoeg. Ze zou vadermoeder naar het front sturen, maar dat deed ze niet. Moeder had een winkeltje in kaartleggen of waarzeggerij of tarot, weet ik veel, dat ook weer goed liep. Met haar zwarte pakken en zwarte stropdassen had ze de sfeer van mysterie om haar heen. Ze was vooral voor zichzelf een mysterie. Mysterie, uw naam is bouquetreeks. De kaartlegster, gokken met en op de waarheid.
‘’Heeft ze nog een verhouding met jouw tante?’’ vroeg Margareth.
‘’Zolang iedereen aan ons verdient wel. Tante is terug in Nederland en werkt daar voor haar eigen bestwil.’’
‘’Je moeder heeft er nog een paar handeltjes bij.’’
‘’Het wezen dat mij heeft gebaard verkoopt stukje bij beetje zichzelf uit tegen een spotprijs, met nadruk op spot. Daarom is dit wezen in een oorlogsgebied zeer op haar plaats.’’
‘’Ze heeft m’n toekomst voorspeld,’’ zei Margareth.
‘’Uiteraard. En? Wat zei ze? U zult een oudere vrouw ontmoeten die een opwindende verandering in uw leven teweegbrengt?’’
‘’Zoiets.’’
‘’En? Hoe lang duurde het?’’
‘’Het was liefde.’’
Was ik jaloers? Of kwaad? Ik stapte mijn bed uit en gaf de generaal een klap voor d’r kop. Ik pakte haar uniform en gooide dat op de gang, waar haar aide, sergeant Kapotjeplof, de deur beveiligde.
Ik pakte mijn koffer, ging langs het ziekenhuis, groette mijn psychiater, die zei dat hij net bezig was verliefd op mij te worden (‘Maar we blijven wel appen hè?’) en vertrok naar het front, waar ik me ’s avonds meldde bij het veldhospitaal.
Daar zag ik toen die typerende zwaailichten van de Militaire Politie.





Ha Marja. Ik wilde een oorlogssatire schrijven. Niet om keihard te laten lachen, maar eerder om te schokken. Oorlog is absurd omdat wij mensen absurd zijn. Dat wil ik laten zien. Tevens denk ik dat oorlog een spiegel is van deze tijd en deze tijd heeft een identiteitsconflict. De mens is slecht, behalve als hij per ongeluk iets goed doet. Of hij is goed, maar alles wat hij aanpakt loopt verkeerd af. Dat wil ik laten zien. Groet vanuit Itaië, Theodor.
Nou Theodor, ik heb net alle delen t/m deel 13 gelezen en heb het gevoel dat ik in de vuile bek van de oorlog in Oekraïne kijk. Komt dit in het mooie Italië onder het genot van heerlijk eten en glazen wijn uit je schrijvershart? Voel je je schuldig dat jij niet aan het front strijdt en dus niet volop mag genieten van de omgeving waar op dit moment bent? Wat drijft je om dit te schrijven, ik ben benieuwd.