Frontchirurg
22. De laatste aflevering.
22
‘’Wat een mooi huis heb jij,’’ appte de Russisch Joodse Biseksuele Oekraïner. Hij zat veilig in mijn huis in de Weimarstraat. Hij had mijn woning helemaal schoon gemaakt en ging zich morgen bij de instanties melden. Hij leefde van het geld dat ik had meegegeven.
Waarom hij?
Iedereen heeft een draad van medelijden waarmee hij zich wil vastnaaien aan een ander. Medelijden moet je in stilte belijden, maar je mag dat best doen ten voordele van jezelf. Ik had in mijn leven al vele levens gered en onder mijn handen had de dood zich vaak laten wekken. Wie ik liefhad kon of wilde zich niet laten redden: mijn vader, mijn moeder, mijn apotheker, Margareth. En zelfs voor de psychiater koesterde ik… nee, geen gevoel, behalve een soort blijdschap dat hij dood was. Ik kon niet tegen dat kruis van hem op zijn rug. Ik kon niet tegen hem op. De verrader die aan de goede kant stond. Zijn kruis hoefde ik niet meer te zien.
-
De Vier Sterren Big was ontroostbaar. En bang natuurlijk.
‘’Ben jij niet bang?’’ vroeg hij.
‘’Wat heb ik dan gedaan?’’
Wie weet werd dit gesprek ook opgenomen, waren hier ook verborgen camera’s, was Vier Sterren Big ook eigenlijk een spion, al wist ik, door de brief van Margareth, hoe diep hij in de corruptie zat.
‘’Dacht jij dat je die medicijnen zomaar kreeg van je apotheker?’’
‘’Waar die medicijnen vandaan kwamen kon me niks schelen. Ik wilde mensen helpen. Genezen. In feite ben ik heel gewoontjes.’’
Vermoedelijk dacht hij nu dat ik een spion was. Ik vond dat een opwindende gedachte. Is een spion zielig? Een spion staat met zijn geweten altijd aan de verkeerde kant, hij is een soldaat bij de vijand. Nog opwindender is de dubbelspion, want uiteindelijk hebben we allemaal de moraal van een dubbelspion, maar dat weten we goed te verbergen in geheime codes en geheimschriften en dubbelzinnig gedrag.
De Vier Sterren Big wist dat hij gearresteerd zou worden. De geheime dienst van Oekraïne werkte goed en het bestrijden van corruptie was iets dat de Europese gemeenschap van ze eiste.
‘’Waarom neem je ontslag?’’ wilde hij weten, terwijl hij heftig zweette.
‘’Omdat ik van alles moet kotsen!’’
De vriendin van vadermoeder was een draadje in mijn leven dat ik niet goed kon afhechten maar dat domweg stukgetrokken moest worden,
Tantetje Troela, tante Trol, tante Teringlijdster, tante Tyfus, tante Tandenuithaarmondslaan, tante Tragestront. Een kwade genius. Een duivelin. Ik moest haar het huis laten dat eigenlijk mij toebehoorde. Dat zou ik niet erg hebben gevonden als ik haar mocht, maar ik mocht haar niet. Verder wist zij teveel van mij. Zij was een verliespost. Wat ik dacht zei zij altijd hardop: ‘’Je. haat je moeder, hè?’’
‘’Doe normaal.’’
‘’Je haat haar omdat zij anders is dan de anderen.’’
‘’Ik haat naar niet.’’
‘’Je hebt een hekel aan haar omdat ze de kaart legt.’’
‘’Ik heb geen hekel aan haar.’’
‘’Je denkt dat je slimmer bent dan zij.’’
‘’Helemaal niet.’’
‘’Je vader was een slappeling, dat weet je.’’
‘’Zo ken ik hem niet.’’
‘’Als jij haar ziet, kijk je in de spiegel.’’
‘’Dochters lijken vaak op hun moeder.’’
Tegen niemand heb ik zo gelogen als tegen haar. Waarschijnlijk omdat zij wist dat als ik haar gelijk gaf, zij macht over mij kreeg.
‘’Waarom hou je niet van je moeder?’’ vroeg ze eens.
En toen heb ik mij versproken.
‘’Zij is mijn moeder niet… meer.’’
Dat was een ernstige fout.
Aan vadermoeder vroeg ik eens waarom ze van tante Wreed hield.
‘’Ik kan bij haar zijn wie ik ben.’’
‘’Waarom kon dat niet bij papa.’’
‘’Papa wilde geen vriend. Daar schaamde hij zich voor.’’
Was haar toon rustig en haar stemgeluid iets hoger zodat het leek alsof ze nog niet door de hormonen waren aangetast en als ze mijn blik niet meed, maar me af en toe een blik waardig keurde, als ze haar hart een mond gaf en haar mond een hart, als ze haar woorden niet uit het bitter en het zuur haalde maar uit het zoet en als ze haar manzijn een ogenblik vergat, dan zweetten we beide over iets wat mogelijkerwijs zou kunnen duiden op een vorm van liefde die er dient te bestaan tussen moeder en dochter. Het was, althans, zo begreep ik, of zij haar eigen wereld niet wilde opgeven, zij wilde dat haar gevoelens haar gelijk bevestigden en niet haar verstand. Ik snapte haar voorkeur voor het man-zijn, haar liefde voor mannenkleren, haar behoefte aan een snor (goddank een korte bevlieging, hij stond haar echt niet) en haar neiging tot stoerheid. (‘Ik ga een motorfiets kopen!’) Maar de hormoonpreparaten hadden tevens haar poëzie laten verdorren en daar waren klanken van raspende bakstenen voor teruggekomen.
‘’Je houdt echt niet van me hè?’’ zei ze eens. Een vraag in de vorm van een stelling.
‘’Je houdt echt niet van me hè?’’ antwoordde ik.
Elkaar het eerlijke antwoord geven was onmogelijk.
-
Ik wilde niet bij de begrafenis van Margareth zijn.
Zij was in feite de lieve tante. De tante die dol was op mijn moeder en op mij. De tante die ons beiden ware liefde had gegeven. Vadermoeder wist dat Margareth en ik ook het bed hadden gedeeld, zoals ik het wist van haar. Margareth was een draad die weliswaar stuk was, maar nooit stuk zou gaan.
Ze had de psychiater in z’n zak en in z’n hart geschoten.
Gelukkig had ze een keurige medische opleiding gehad en wist ze dat je na twee schoten zeker stierf. Zeker met een kogel in z’n hart die ze met liefde had afgeschoten, onder invloed van een grote hoeveelheid MDMA. Ze wilde niks voelen, maar voelde waarschijnlijk alles. Onder invloed was ze naar het front gereden. MDMA met alcohol. De luitenant die haar had gevonden zei dat ze steeds iets zei… een naam. Ja… dat kon de naam van mij zijn of die van mijn vadermoeder. Ik denk die van vadermoeder. Of nee, toch de mijne.
Tot slot.
De rit van Lviv naar Den Haag duurt ongeveer achttien uur.
Mijn vader reed regelmatig heen en terug met de bus die van Station Holland Spoor vertrok. Hij had nooit door oorlogsgebied gereden.
De Viersterren Big was gevangen genomen. Niet lang na ons gesprek. De totale generale staf was geschokt geweest, ofschoon er enkele tussen zaten die ook corrupt waren.
Ze hadden hem, zo hoorde ik (van een nieuwe generaal) ook naar mij gevraagd.
‘’Zij heeft er niets mee te maken, ze had het te druk aan het front, Zij verdient een medaille.’’
Dat was aardig van hem.
Helaas kon ik hem op geen enkele manier redden.
Ze bleven hem maar vragen waar het geld was… De spullen hadden ze gevonden in een schuur tamelijk dichtbij ons front.
Hoe meer je naar het westen rijdt, hoe vreemder het wordt.
Je gaat naar een vrijheid waarvoor je strijdt maar die je op een of andere manier niet wil, die je onrechtvaardig vindt - je hebt er niet voor gevochten. Dat was twee generaties geleden. Al bij Berlijn rij je een suikertaart binnen met een glas champagne. En daarna wordt er steeds fanatieker gepoetst en schoongemaakt. Tot je in Nederland komt. De nieuwe huizen die je daar ziet zijn gebouwd van bakstenen van gemakzucht die makkelijk schoon te houden zijn en opeens is De Haag een suikerspin. Goddank is de Weimarstraat een buitenwijk van een Arabische stad, al moet ik er mijn biseksualiteit verbergen.
Ik opende de deur van mijn huis en stapte de crime-scene binnen.
‘’Wat is hier gebeurd, inspecteur?’’
‘’De twee lijken liggen in het bed, commissaris.’’
‘’We zullen eens kijken.’’
‘’Er is iets vreemds mee, commissaris.’’
‘’O ja? Wat dan?’’
‘’De lijken leven, ze zijn niet dood. Ze slapen als engelen.’’
Inderdaad lag mijn Dmitri met een jongen in bed. Ze hadden niet gehoord dat ik binnenkwam. Ze schrokken, maar ik stelde ze gerust. Was het de aanblik, was het de geur van mijn huis die ik meer dan een jaar had verlaten, was het ’t portret van mijn vader en moeder op de schoorsteen waardoor ik opeens besefte dat ik wees was, ik heb geen idee, maar ik moest kotsen.
Even later stelde de jongen van Dmitri zich voor.
‘’Bennie.’’
Ik wilde eigenlijk weten wanneer Bennie mijn huis zou verlaten, want ik was moe, wilde douchen en even met Dmitri praten.
Maar Bennie leek niet van zins op te stappen.
Hij vond het reuze interessant dat ik uit Oekraïne kwam. Hij had van zijn jonge vriend gehoord wat ik allemaal had meegemaakt. Ik moest wel een goed mens zijn. Ach, deze kalverliefde was schattig.
Toch stuurde ik Bennie weg. Ik moest Dmitri wat vertellen.
Op de dag dat ik naar Oekraïne vertrok, zei vadermoeder dat ze de kaart voor mij had gelegd. Dat deed ze om mij te kwetsen.
‘’Elke keer zie ik de dood,’’ zei ze.
‘’Dat kan kloppen als je mijn vak hebt.’’
‘’Ik zie dood om je heen.’’
Ik pakte haar kaarten, schudde ze en legde er één voor haar neer.
‘’Kijk, de zon voor jou,’’ zei ik.
En toen waren Dmitri en ik alleen.
Dmitri was gelukkig. Hij was mij dankbaar. Bennie was lief. Bennie was Joods, net als hij. En homo, net als hij. Een man, net als hij.
‘’Waarom heb je mij naar Nederland laten komen?’’ vroeg hij.
‘’Heb je gedaan wat ik je vroeg?’’
Ach, ik wilde niet zeggen dat ik hem nodig had gehad. Maar het was wel zo. Had ik hem misbruikt? In zekere zin wel.
‘’Waar is de koffer?’’ vroeg ik.
‘’Wat je zei, in de kleine kamer.’’
Ik ging niet meteen kijken.
Wat wilde ik eigenlijk? Wilde ik niet onmiddellijk terug? Ja, en nee. Ik kon beter hier blijven. Misschien zouden ze mettertijd toch denken: ‘’Die Nederlandse chirurg… Toch raar.’’ Misschien zouden ze het laten gaan. Er was niets dat naar mij wees. En ik had de brief van Margareth.
‘’Ik ga een reisje maken met Bennie,’’ zei Dmitri en hij keek me aan om te zien of ik dat verraad vond van hem. Maar dat vond ik niet. Ik vond het best.
‘’Ik moet je eerst iets zeggen, Dmitri.’’
Hij keek verbaasd. Ogen die waren losgesneden uit een dierenfilm van Disney.
‘’Ik ben zwanger.’’
En uiteraard kwam toen de vraag waar ik al zes weken over nadacht .
‘’Van wie?’’
‘’Van iemand aan het front die helaas is gestorven,’’ loog ik. Was het feit dat ik door de oorlog vergeten was de pil op het juiste moment te slikken een fout van mij geweest? Was hij niet een onbedorven knaap die ik onbewust zocht? Wilde ik niet bewust zwanger worden, en geen man, omdat ik vrij wilde zijn? Alleen voor een kind zorgen?
‘’Ben je blij?’’ vroeg hij angstig.
‘’Heel blij.’’
‘’Dan moet ik zeker je huis uit.’’
‘’Ik verzin wel wat,’’ zei ik.
De kleine kamer die binnenkort een kinderkamer zou worden was niet zonnig, want in Nederland regent het altijd. Ik keek naar de koffer. Ik opende hem. Inderdaad, de erfenis van mijn moeder.
‘’Ik heb hier twee koffers,’’ zei vadermoeder,’’ ik laat er één bij jou. Voor het geval dat.’’
‘Ik hoef jouw toestanden niet.’’
‘’Ik haal het wel weer op,’’ zei ze.
De truc met de twee koffers.
Wat moest ik met het bloed en de botten van vadermoeder?
‘’Waar gaan jij en Bennie heen?’’ vroeg ik aan Dmitri.
‘’We gaan naar het Novafestival in Israël. En dan ga ik verder studeren.’’
Hij keek me aan en zei: ‘’Ik ben zo gelukkig, Céline.’’
Op de foto die onlangs is gemaakt zie je mij met Louis in mijn armen, terwijl ik een medaille opgespeld krijg.
EINDE





Celine 👏