Frontchirurg
Aflevering 7, Genetische voorkeur
7
Mijn vadermoeder wist dat zij een man wilde zijn, maar niet wat een man was. Ze voedde mij op als een jongen, maar hoe een jongen was, wist ze ook niet. Ik kreeg een waterpistool. Dat werd mijn pop, de autootjes werden mijn hondjes en poesjes en één of ander spelletje haalde ik uit elkaar en vermaakte ik tot ketting. Haar wil tot manzijn mocht dan voortkomen uit een mannelijk innerlijk en een genetische voorkeur, het was alleen te merken in uiterlijkheden. En meende zij dat haar innerlijk ook mannelijke gevoelens kende dan haalde zij een tekort aan inlevingsvermogen door de war met masculiene hardheid. Alle mannen die ik in mijn leven heb ontmoet waren in feite zachte wezens die soms hun onvermogen tot overgave overschreeuwden met een stompzinnig, beperkt vocabulaire.
Zuchtje was de echte poes van mijn vader. Ik hield veel van haar. Vadermoeder haatte haar. Toen Zuchtje stierf wilde ik haar met een scheermes opensnijden, wat ik niet mocht, maar vanaf dat moment wist ik dat ik chirurg wilde worden. En ooit zou ik psychiater zijn. Of krankzinnig. Of een krankzinnige psychiater.
Of is dat een pleonasme? Of stelt de psychiatrie, zoals ik tijdens mijn studie leerde, niets voor? Of wilde ik onbewust mijn vadermoeder overtreffen die psychologe was? Psycholoog, bedoel ik.
Psycholoog - een woord dat ik altijd mysterieus heb gevonden. Net als psychiater te groot voor wat het werkelijk inhield.
Altijd bezig met de geest, want fysiek wilde vadermoeder geen borsten hebben. Altijd in de weer met anderen, want over zichzelf raakte ze verward. Altijd starend in de spiegel. Maar het was of ze dan naar een stuk steen keek. Want dat was ze: een stuk steen in mannenkleren.
Ik weet wat ik van haar heb. Ook ik zie steen als ik in een spiegel kijk.
Maar ik besta niet uit een uiterlijk. Althans, ik zie mijn uiterlijk nooit. Als ik in de spiegel kijk, kijk ik of ik tegen bacteriën gewapend ben.
Wat ik ben zie ik in m’n patiënten.
Ik opende m’n computer en zag dat vadermoeder me had gemaild.
Nooit een aanhef, maar ze begon altijd meteen.
‘’Waarom stuur je die grote doos met spullen naar mij? Is er niet een ander adres? Er komt steeds een andere jongen die geen Engels spreekt. Verder bedankt voor je dingen.’’
Dingen. Mannendingen. Stropdassen, herensokken, allemaal gestolen van mijn Apotheker die ze weer kreeg van zijn vrouw.
Ik las de email nog eens.
Niet: wat doe je aan het front?
Niet: hoe gaat het met je?
Niet: ik maak me zorgen over je.
Niet: ik denk elke dag aan je.
Niet: liefs, kusjes, ik brand elke nacht een kaarsje voor je.
Menselijke gevoelens zijn ambitieuze illusies. Illusies als wolken met de zwaarte van een rots. Illusies als gekleurde vlinders die, als je goed kijkt, in het niets verdwijnen. Vadermoeder leek soms een speciaal netje te hebben om ze te vangen.
-wordt vervolgd -
Bericht van Koos
-




