Elke zin is de verkeerde
Dat is letterlijk zo
Ha Kraaitje,
Ben je echt ongelukkig? Ik denk dat je de hele tijd door de stad danst, want iedereen wil met je dansen. En ’s avonds, in een donkere kroeg bij de haven, sla je een wat oudere matroos aan de haak en sleurt die mee naar je huis, waar jullie de hele nacht de liefde bedrijven. In de ochtend haal je je vleugels uit de kast en vlieg je over het park, af en toe rust zoekend op een beeld van een weldoener die iedereen is vergeten.
Ik zal het wel verkeerd hebben, maar dat komt omdat ik me ook niet zo best voel.
Leven is ziek zijn. Alleen als je dood bent mankeer je niets.
Het liefst zou ik een nieuw boek willen beginnen, maar ik durf het niet, ik kan het niet, ik mag het niet, ik weet dat het toch niets wordt, ik weet niet of ik niet vastloop, kortom: dat komt allemaal omdat mijn uitgever nog stapels van mijn boeken heeft liggen. Vandaag ook weer: terwijl buiten de wereld vergaat, zie ik op mijn computerscherm wat zich in mijn hoofd afspeelt: een grote leegte.
Ik hoor wel het een en ander. Bijvoorbeeld: “Twee miljoen slachtoffers in de oorlog tussen Rusland en Oekraïne.” Een oorlog die al langer aan de gang is dan de Eerste Wereldoorlog. Twee miljoen doden en dan nog een paar miljoen mensen die diep verdrietig zijn. We bewonderen de mens om zijn uitvindingen en doorzettingsvermogen, maar wat moet ik vinden van de functionaris die honderdduizenden doden wil maken om een stukje land te bemachtigen? Wat is het tegenovergestelde van bewonderen? Verachten? Wat heb ik daaraan? Ik bedoel: als ik iemand bewonder, is hij een voorbeeld, dan zou het mooi zijn als ik zijn of haar waarden en normen zou overnemen, maar als je iemand veracht, wat moet ik dan met zo’n persoon? Ik heb angst voor hen die ik veracht. Ik ben bang voor Poetin, ik zou bang zijn geweest voor Hitler. Voor Trump ben ik nog niet zo bang, trouwens. Die veracht ik ook nog niet. Het vervelende is dat ik Zelenski bewonder. Maar die moet ook dagelijks het besluit nemen waardoor duizenden en duizenden van zijn eigen landgenoten noodgedwongen sterven. Doet hij dat niet, dan wordt Oekraïne overlopen. Hoe moet ik daarover denken? Poetin heeft domweg geen geweten, maar Zelenski vermoedelijk wel. Maar toch… Hoe doet hij dat? Weet jij dat? Jij kan ook drastische beslissingen nemen… Het gekke is, dat mijn geweten eveneens steeds minder wordt, zoals ik je al eens heb verteld. Steeds minder geweten om goed gevonden te worden - wat een vreemde zin. Hoeveel dubbelzinnigheden zitten daar wel niet in?
Al die verwarrende zinnen verwarren mijn geest. En als jij, zoals je me hebt laten weten, ook ongelukkig bent, dan komt dan omdat de zinnen ons verwarren. De geest houdt van duidelijkheid, maar duidelijkheid bestaat niet, lieve Kraai. Althans voor mij niet. Mijn moeder en mijn vriendinnen met wie ik samenwoonde en mijn vrouwen werden er gek van. “Je moet meehelpen in het huishouden.’’ “Wat bedoel je precies, mop?’’ “Je mag ook best eens de boodschappen doen, de was en de afwas, stofzuigen en afstoffen.’’ “Wil ik best doen, maar wanneer?’’ “Gewoon, als het moet.’’ “Maar wanneer moet het?’’ “Je hebt toch ogen in je kop?’’ Altijd werd het ruzie. Ik heb behoefte aan letterlijkheid, maar in mijn geest bestaat letterlijkheid niet. De paradox van Theodors persoonlijkheid. Ik zal je vertellen waarom het uitging met M. We hadden afgesproken dat ik elke woensdag het huis zou boenen. Pakweg twee uur werk. Ik deed niks goed. (“Hier zit nog stof, en daar ook! En de plee moet ook schoon…”) Dat gaf al irritatie. Dus huurde ik een werkster in. (Van mijn eigen geld!) M. werd daar kwaad over. “Dus ik moet alles zelf doen en mijnheer huurt een werkster.’’ “Maar jij doet het werk toch niet, schat. Ik doe dat. Alleen doe ik ook niet, omdat ik een werkster heb gehuurd.’’ Oeverloos gebakkelei. Zelfs toen ik aanbood om voor haar ook die werkster te huren. Die werkster heeft toen onze verhouding weggestofdoekt en de laatste restjes met de stofzuiger opgezogen. Door mij betaald, dat wel. Steeds duidelijker kwam aan het licht dat ik M. niet begreep.
Elke zin die zij sprak interpreteerde ik verkeerd en andersom.
“Zullen we naar bed?’’
“Ik ben niet moe.’’
“Ik bedoel neuken. Zullen we neuken?’’
“Wanneer? Nu?’’
“Ja, nu.’’
“Nu nu of straks?’’
“Nee nu.’’
“Nu? Waar dan?’’
“In bed.’’
“Nu?’’
Letterlijkheid is een zegen die ik ervaar als vloek. Ik heb er behoefte aan, maar het lukt me niet de letterlijkheid te kraken. Begrijp je wat ik bedoel, Kraaitje? Hoe kan je eigenlijk begrijpen wat ik bedoel als ik het zelf niet begrijp? Zou ik in wezen (wat is dat?) misschien net zo zijn als Poetin en geen geweten hebben omdat ik domweg niet precies weet wat een geweten is? Ik kan gek worden van mijn eigen gedachten.
Al die gewetenlozen, hoe kunnen die leven? Hoe kunnen die een prettiger leven leiden dan ik? Ik zie ze nooit ziek, zwak of misselijk.
Ach, lieve Kraai, ik schrijf je snel weer. Ik moet wandelen om rust in mijn kop te krijgen. Maar hoe weet ik of ik rust in mijn kop heb? Ik denk aan je. Vol onrust.
Theodor
Kort verhaal
Hallo lieverd Toen z’n vrouw hem had verteld dat ze zwanger was, had hij gedaan of hij heel gelukkig was. Hij had niet alleen haar wang gekust maar ook haar buik. Zijn vrouw ging het vertellen aan een vriendin en vroeg of hij meeging. Hij schudde z’n hoofd, en zei dat hij nog wat moest afmaken. En toen was hij alleen. Hij had de behoefte om te huilen maar vermande zich. Zijn telefoon in zijn hand verlamde hem, maar hij belde toch. “Hallo lieverd,’’ hoorde hij. “Hoi…’’ zei hij. “Ik voel je nog.’’ “Ik jou ook.’’ “Ik vond het heel fijn.’’ “Ja, ik ook,’’ zei hij. “Waarom bel je?’’ “Omdat… ik je mis.’’ Zijn hart sloeg over en hij deed zijn ogen dicht. “Ik mis jou ook,” zei ze. Hij pakte een kussen dat op de bank lag en smeet dat door de kamer. “Lief dat je belt,’’ hoorde hij. “Ja…’’ “Waarom bel je eigenlijk echt, schat?’’ Het was onmogelijk te spreken, z’n keel zat dicht. “Ik… voel je nog om me heen,’’ zei hij. “Ja, je geur ligt nog op m’n kussen. Dat gaat vanavond zorgen voor mooie dromen.’’ “Ja… dat hoop ik.’’ Wanneer moest hij het gaan vertellen? En hoe? Wat wilde hij eigenlijk? Wie wilde hij als vrouw? Wat moest hij met dat kind? Wilde hij wel een kind? Ze hadden er nooit over gesproken, maar was het na al die huwelijksjaren eigenlijk niet vanzelfsprekend? “Liefje…,’’ hoorde hij, “wanneer kom je weer?’’ “Zo snel als ik kan… zo snel als ik kan.’’ Hij meende het en hij meende het niet. Wie moest hij wat beloven? Hij merkte dat hij de schuld aan zijn verliefdheid wilde geven en niet aan zichzelf, maar hij wist dat hem grote blaam trof en grote blaam ging treffen. Kan een mens voorkomen dat hij verliefd wordt? Misschien. Maar kan hij voorkomen dat hij zich ongelukkig voelt? “En straks zal ik me nog ongelukkiger voelen,’’ concludeerde hij. Ongelukkig zijn was misschien wel zijn straf. Maar als hij nou gelukkiger kon worden met zijn vriendin? Kon hij nu voor haar zijn vrouw, terwijl ze zwanger was, in de steek laten? “Wat heb ik eraan dat ik weet dat ik een schoft ben?’’ Hij maakte afwegingen: als het een miskraam zou worden, zou hij zijn vrouw verlaten voor zijn vriendin, maar was het niet erger om haar dan in de steek te laten? “Ik kan geen afwegingen maken. Ik kan niets. Ik ben een slecht mens. Maar wat moet ik met dat besef?’’ Hij besloot niets te doen. Helemaal niets.
De column van Koos





Mooi man, ga door tot hand en hart het begeven. (Boek? waarom zou je?)