Een slechte karaktertrek
Immorele illusies
Hai Pulletje,
“Kom maar, ik doe je niks, lief Pulletje. Waarom ben je toch zo boos op me?’’
Eigenlijk vind ik het altijd idioot wanneer mensen die dicht bij je staan, “boos” op je worden omdat je andere idealen, denkbeelden, opvattingen, noem maar op, hebt. Je noemt mij “radicaal rechts.” Waarom zou dat “slechter’’ zijn of “immoreler” dan “radicaal links”? Eigenlijk ben ik wel benieuwd waarom je mij radicaal noemt. Vind jij het radicaal rechts van mij dat ik Israël niet beschuldig van genocide? Vind je het radicaal links van mij dat ik tegen de enorme toestroom van asielzoekers ben waardoor onze sociale voorzieningen (uitkeringen! ziekteverzekeringen! Linkse thema’s toch) onder druk komen staan? Vind jij het radicaal links van mij dat ik die hele pfas-discussie die in Duitsland niet bestaat waardoor er maar geen huizen gebouwd kunnen worden, totaal krankzinnig vind? Vind jij het radicaal links van mij dat ik tegen erfbelasting ben; het is geld waarover ik al belasting heb betaald en dat ik gespaard heb voor mijn kinderen en kleinkinderen. Ja, die boffen! Maar in mijn levensfilosofie (het bestaan is zinloos) werk ik, leef ik, voor mijn kinderen en kleinkinderen. (Toevallig niet voor andermans kinderen.) Ik wil mijn erfgenamen beschermen, helpen, hun zorgen wegnemen - dat is mijn ouderlijke taak ook. En dan zou ik geld moeten geven aan een overheid die mij regelmatig frustreert en waarover ik niks te zeggen heb? Ja, ik vind erfbelasting diefstal. Maar ben ik door die opvatting “radicaal rechts”? Ik geloof sterk in vrijheid. Vrijheid en gelijkheid gaan helaas niet samen. Als je streeft naar gelijkheid, kan het niet anders dan dat het ten koste gaat van de vrijheid. Nog nooit is bewezen dat als we allemaal evenveel verdienen, we gelijk zijn en we dan kunnen genieten van een grote vrijheid. Kijk naar China. Zoals je weet had ik een groot geloof in de sociaaldemocratie. (Het beste van het socialisme en het kapitalisme.) Maar ook dat lukte niet, zoals we hebben gezien. Alles, werkelijk alles en alles wordt tegenwoordig langs de lat van de moraliteit gelegd. Dadels zijn lekker. Maar komen die dadels uit Israël dan mag je ze niet kopen. Is dat vrijheid? Bepaalde woorden, zoals neger, slaaf, etc. mag je eigenlijk niet gebruiken, omdat.. weet ik veel… Is dat vrijheid? Heb ik ooit van mijn leven negers, zwarten, slaven, tot slaaf gemaakten, Indianen, Inheemsen, Eskimo’s, Inuit ernstig gediscrimineerd? Heb ik vooroordelen tegenover hen gekoesterd, of heb ik… en het antwoord is ja…me sterk gemaakt om juist niet te discrimineren op huidskleur en afkomst? Ben ik daardoor misschien radicaal rechts? “Maar je bént toch rechts, Theodor?’’ Vrijheid lijkt voor links een slechte karaktertrek, een immorele illusie om te koesteren.
Laat ik het zo zeggen: ik vind dat iedereen zijn eigen billen moet afvegen, dat je niemand moet discrimineren, dat de overheid zo klein mogelijk moet zijn en zich vooral moet bezighouden met gezondheidszorg. Is dat radicaal rechts, Pulletje? Hangt aan elk woord van mij een klein hakenkruisje? Zit er een hitlersnorretje onder de neus van mijn denkbeelden? Laat mij eens weten wat jij wil.
Ja Pul, groet je hofhouding namens mij en kus de kleinen die inmiddels bijna groter zijn dan ik.
Theodor
Kort verhaal
Parijs
“Ik ben nog in de rouw,’’ zei ze.
Hij durfde haar niet te lang aan te kijken, haalde zijn schouders op en zei: “Dat begrijp ik.’’
“En wat denk je dat mijn kinderen zullen zeggen… Mam, pappa is net dood en jij gaat al met een ons onbekende man naar Parijs?’’
“Je weet dat ik je kinderen graag wil leren kennen.’’
“Ik vraag me af of zij dat ook willen…’’ Ze zuchtte en vervolgde: “Er is een periode dat je rouw in acht moet nemen… Dat is een soort eis die de maatschappij stelt… Als je na de dood van je man opeens gaat feestvieren, heeft dat iets onethisch.’’
“Ja, dat begrijp ik, maar het is geen feestvieren, er is in Parijs een tentoonstelling en ik dacht dat wij…’’
“En daarbij komt…,” zei ze, “ik weet niet of het verstandig is als wij zo hecht… Ik bedoel, ik heb het idee dat jij een andere vriendschap wil dan ik…’’
Haar woorden vielen als bakstenen op z’n hoofd.
“Mijn leven is nu anders,’’ zei ze, “ik ben weduwe… Ik heb een rottijd achter de rug… Ik wil rust en dan… vrijheid.’’
“Vrijheid,’’ herhaalde hij en het leek of hij “verdriet” hoorde.
“Ja, dat begrijp ik,” zei hij, “Maar ik dacht…’’
Ze luisterde niet naar hem. Ze stond op van haar stoel en liep naar het raam.
“Ik wil nog iets,’’ zei ze, “Wat dat iets is, weet ik niet. Een nieuwe man, een nieuw leven ergens anders. Italië misschien… Misschien ook wel terug naar de provincie. Alles… alles lijkt hier besmet met die verschrikkelijke rotziekte waaraan hij leed. Die ziekte heeft godverdomme ook mijn hersens aangevreten, maar dan anders. Wat was ik ongelukkig.’’
Hij hield zijn mond. Hij had haar toch getroost? Hij had haar toch constant bijgestaan? Ze wist toch dat hij van haar hield? Was dat niet vanzelfsprekend geweest? Hoe ze zijn hand had vastgehouden en hij de hare, een uur nadat haar man was gestorven. Hoe hij haar toen ook tegen zich had aangedrukt. Het was of de laatste minuten hem hadden verscheurd als een stuk papier.
“Ja, rouw is… ik wil je graag steunen,’’ zei hij.
“Dat doe je en heb je gedaan. Door je aanwezigheid. Maar ik moet alleen zijn, om te kunnen veranderen. Ik moet die vreselijke tijd uit mijn hoofd zien te krijgen. Ik moet weer een toekomst kunnen zien. Een toekomst zonder ziekte, zonder ellende, zonder schuldgevoel…’’
Hij keek op zijn horloge.
“Kom… Ik moet weer eens opstappen…’’
Ze liep met hem mee naar de voordeur, opende die voor hem en zei: “Dahag…’’
“Dag,’’ zei hij.




