Lieve Kraai,
Fijne avond gehad met Maria, Dave, Maarten en Erik. Ofschoon de onderwerpen zwaar waren, bleef het soortelijk gewicht van onze woorden licht. Valt er nog wat te lachen in deze tijd? Ja hoor, wij deden het. Weet je waarom er anno nu minder wordt gelachen? Omdat er te veel taboes zijn die niemand durft te overtreden. Wie wil lachen, moet iets doen wat niet mag. En er zijn momenteel bijzonder veel taboes.
We vertelden verhalen waarin “negers” en “jidden” en “slaven” een rol speelden, we deden een Spleetoog, een Yank en een Surinamer na; er werd flink geroddeld (roddelen is een vorm van humor) over de filmwereld en de literaire wereld. Het leukste waren weer de anekdotes met en over Theo van Gogh, die ik nog steeds niet echt kan opschrijven omdat er nog mensen leven en die willen we niet kwetsen… Het is altijd prettig wanneer wij plezier hebben en mensen hun hoofd omdraaien om ons misprijzend aan te kijken. Klootzakken. Misprijzend kijken is een vorm van moreel oordelen zonder iets te zeggen, bedreven door burgerlijke zultkoppen die je kwalijk nemen dat je plezier hebt, terwijl zij alleen maar hun nietszeggendheid etaleren.
Eenmaal thuis hoorde ik dat L. plotseling was overleden. Daar schrok ik van. Dat we aan het spinrag van het leven hangen en ieder moment door de Grote Spin opgegeten kunnen worden, stemt me altijd weer angstig en droevig. Een maand geleden kwamen we elkaar tegen en toen maakten we nog een afspraak. Die kan doorgestreept worden. En M. belde mij ook nog om te vertellen dat mijn zuster jarig was. Meteen gebeld, maar ze nam de telefoon niet op, dus daar maakte ik me dan ook weer zorgen over. Morgen weer een kans.
Diep in de nacht - ik kon toch niet slapen - heb ik nog naar de verschillende nieuwsprogramma’s gekeken. Het goede nieuws is dat je voelt dat er een burgeroorlog komt; het slechte nieuws is dat je voelt dat er een wereldoorlog aan de horizon verschijnt. Er was te veel slecht nieuws. Iedereen wilde maar uitleggen dat president Trump van de Verenigde Staten deals wil sluiten. Als hij Russische diesel kan ruilen tegen invloed die niets kost, lijkt dat een goede deal, maar aan die gratis invloed hangen te veel kostbare vernederingen die je hoogstens kunt compenseren met Oekraïense langeafstandsraketten, drones en ander oorlogstuig.
Wapens zijn wezens zonder hart; zij houden van iedereen en iedereen houdt van hen. Daarom houden kinderen en vooral pubers van messen en pistolen. Dat zijn hun kameraden met macht. Wapens kennen geen moraal, alleen maar vernietiging. Anders gezegd: Wapens oordelen niet. Ze doen slaafs wat je van ze vraagt.
Mijn belangstelling voor het binnenlandse nieuws begin ik trouwens totaal te verliezen. Nederland is niet alleen klein, we maken onszelf klein. Alles is miniem en daardoor onbeduidend. Dat komt omdat we werkelijk langs alles de meetlat van de moraal leggen. Elke politieke discussie, iedere vorm van cultuur, elk debat in een talkshow. Moraal als boter, smeerkaas, jam, pindakaas, leverpastei en ander broodbeleg. Moraal maakt klein. We mogen ten onder gaan, als we maar ‘’goed” ten onder gaan. Als onze ziel maar rein is in de ogen van de burgerlijke schapen, de klootzakken die polemiseren door misprijzend naar je te kijken en solidair zijn met hun kleingeestigheid.
Het klopt dat ik slecht gehumeurd ben, maar als ik goed gehumeurd ben, schrijf ik niet. Onthou dat maar. Ik snap schrijvers niet die zich gelukkig wanen. Hun werk is ook meestal niets. De inkt waarin je je pen doopt, moet aangelengd zijn met melancholie, rouw, pijn, haat, woede, bloed. Ik heb nog enkele potten inkt in voorraad.
Ik ga nu slapen. De nacht is koud. Tweeduizend kilometer verderop wordt het nog kouder en worden de bewoners continu gebombardeerd. Met vreugde, want de Russen hebben weer geld voor hun diesel gekregen.
Ik groet je, kus je, knijp je, omhels je en ik zal een kaars voor je branden.
Theodor
Kort verhaal
Ziekenhuis Ze kwamen elkaar bij toeval in het ziekenhuis tegen. Beiden in pyjama en overjas. Hij keek haar aan en wist meteen dat zij het was. Zij wendde haar hoofd even af, zocht vervolgens zijn ogen, haalde haar schouders op en zei zacht: “Gek.’’ Een trage knik van hem. Het was ook gek. Veertig jaar lang hoop je iemand tegen te komen en wil je met haar praten om te vragen: “Wat is er toen allemaal gebeurd?’’ Maar net nu, nu het belang verdwenen was en het gevoel over je zoektocht verpakt was in een schaamte waar niemand wat aan had, zag je haar voortschuifelen, net als jij, de dood tegemoet. “Gek, inderdaad,’’ zei hij. Een schaamte die domweg naar z’n hoofd steeg en waaraan hij niets kon doen, zat hem dwars. Hij dacht bijna hardop: “Misschien ben ik wel de enige die achter je verkreukelde gezicht kan zien hoe je eruitzag.’’ Hij meende dat schoonheid altijd ergens medelijden veroorzaakte. Daar stond ze nu met een kromme rug alsof ze zich voor de dood wilde verbergen. “Hoe gaat het met je?’’ vroeg ze. Wat een afstand zat er in die zin. Maar wat had ze dan moeten vragen? Zou het haar oprecht interesseren? Waarom? Er was geen enkele reden voor haar om nog iets van interesse in hem te hebben. Ook niet uit beleefdheid. En hij? Hij kwam niet van dat gevoel van gêne af. Er was ook geen noodzaak meer om vragen beantwoord te zien; hij zag zo wel dat ze er slecht aan toe was, net als hij. “Waarvoor, mag ik dat vragen, ben jij hier?’’ vroeg hij. “Je mag hierbuiten roken, wist je dat?’’ “Ik rook niet… meer,’’ antwoordde hij. Dat ze de vraag ontweek was hem niet ontgaan. “Ben je er lang geleden mee opgehouden?’’ vroeg ze. “Twintig jaar geleden,’’ zei hij. “Twintig jaar…’’ herhaalde ze. “Heb je tijd… of…’’ “Ja, en nee… M’n horloge ligt nog in het andere ziekenhuis geloof ik…Of ik ben hem kwijt… ergens verloren… Maar ik heb hem nog niet gemist.’’ Haar stem klonk schor. “Het is nu kwart over drie!’’ zei hij terwijl hij op zijn horloge keek. “Kwart over drie… Ik zou zweren dat het nog ergens in de morgen was.’’ “Wil je misschien een kop koffie… Het is voor ons gratis.’’ Hij schaamde zich voor z’n zuinigheid. Ze schudde zijn hoofd. “Ik ben moe. Heel erg moe. Zo moe dat ik eigenlijk moet zitten. En dan liggen, en dan nooit meer opstaan.’’ “Ja… ga anders even zitten, dan…’’ Ze glimlachte. “Dag jongen… wie weet… wie weet komen we elkaar nog tegen.’’ Hij maakte een kleine buiging voor haar. Zag haar voetjes die gekrompen leken. Ze staken in versleten rode pantoffeltjes met het logo van het ziekenhuis. “Tot ziens,’’ zei hij.
De column van Koos
Extra: Diep in de nacht… tekst en muziek: Theodor Holman





Lieve Theo,
Mag ik jou effe aaien?
Mooi, gevoelig en oprecht.