Die hooghartigheid...
Die kilheid ook

Ha die H.,
Dat was een gezellig samenzijn, terwijl ik eigenlijk nooit goed weet wat te zeggen. Altijd angstig dat ik me overschreeuw. Wat ik wel vreemd vond, was dat ik het soms beter meende te weten dan PROpoliticus G, die we zagen en spraken en die, volgens mij ongevraagd, bij ons ging zitten om vooral z’n klepperende kunstgebit wat in de tocht te zetten. Wat een vervelende eikel was dat.
Je hebt baasjes die op hun hond gaan lijken, maar je hebt ook linkse politici die eruit gaan zien als hun standpunten. Een soort hooghartigheid, gecombineerd met een verborgen maar toch meedogenloze kilheid. Als jij praat (of ik), dan gaan z’n wenkbrauwen, zonder dat hij dat bewust doet, in de stand: “Ach, arme jongen, waarom weet je het nou niet beter?” En als je bewijst dat je het wél beter weet, dan krullen zijn lippen zich tot een minzame lach, waarachter hij zijn onkunde probeert te verbergen.
Het viel mij op dat hij over het “migratieprobleem” ons enigszins naar de mond probeerde te praten. “Er moet inderdaad iets aan gedaan worden, ik zie ook in dat het zo niet kan.” Ik zei toen tegen hem: “Dit beweren wij al jaren, G. Maar ja, toen werden wij weggezet als racisten, fascisten, extreemrechts, en dat standpunt — en destijds alleen dat standpunt — kostte velen hun carrière, vriendschappen en liefdesrelaties…” Overdreef ik? Hij lachte smalend, maar antwoordde niets. Weer zo’n superieure lippenkrul die ik uit z’n gezicht had willen snijden.
Ach, beste H., ik ben zo blij dat ik geen politicus ben.
Ik zou zo corrupt zijn als de pest en zelfs mijn broodje kaas door de staat laten betalen, evenals mijn pakken, auto, etc. Ik zou mijn secretaresses kiezen op schoonheid en proberen ze in zo’n gezellige kamer van Hotel De Witte Bergen te krijgen om een geheime verhouding met ze aan te knopen. Ik zou mijn ambtenaren alles laten doen. Kunnen ze het niet aan, dan nemen we meer ambtenaren aan. Komt mijn ministerie geld tekort, dan lenen we dat op de internationale markt. Ik zou me specialiseren in The Art of Doing Nothing. Want als je dat goed kan, dan heb je kans op een mooie baan ergens als Commissaris van de Koning.
Ik moet je nu een anekdote vertellen.
Op een dag belde Theo van Gogh aan en zei: “Ik heb met Pim Fortuyn gesproken en hij wilde dat ik minister ging worden. Maar ik wil ook films blijven maken, dus zullen jij en ik het dan samen doen?” “Natuurlijk, Theo,” antwoordde ik. Ik heb er nadien niets meer over gehoord, omdat Fortuyn werd vermoord en Theo en ik in dat jaar druk in de weer waren met het maken van films. Maar niemand gelooft mij, en ik hoop dat er op een dag aantekeningen worden gevonden van Fortuyn waarin staat: “Theo van Gogh vragen om minister van Cultuur te worden.”
Ach, ik droom weleens dat het daadwerkelijk zou zijn gebeurd. Ik weet wat Theo wilde — meer culturele overheidsmacht naar de kunstenaars en minder naar de producenten. Dus er moest geld naar regisseurs en niet naar producenten. Regisseurs konden dan zelf een producent zoeken. Ik meen dat dit een idee was van Gijs van de Westelaken, met wie ik nog bij minister Ronald Plasterk ben geweest om dit eens door te praten.
Maar ach, herinneringen doen pijn in dezelfde mate als dat ze gelukkig maken. Door de straten lopen doden en jonge mensen door elkaar, want ik zie steeds minder met mijn ogen en meer met mijn herinneringen. Laatst nog kwam ik mijn vader bij Albert Heijn tegen. Hij sprak geen Nederlands, maar vermoedelijk Chinees of een andere Aziatische taal. Hij kocht wat tomaten en drie appels. Dat was alles. Toen ik hem naderde, verdween mijn vader. Daar werd ik treurig van. Althans, ik hoopte dat mijn dochter ooit van een afstand een man ziet en denkt: “Dat is Theodor.”
Ik groet je en ga met de hond wandelen.
Elke dag vraag ik me af of hij van me houdt. Of is hij net als ik en weet hij niet hoe hij zich moet gedragen?
Groet,
Theodor
Kort verhaal
Dordogne
Lopend door een onbekende straat - hij was verdwaald - herinnerde hij zich zijn vader.
Misschien wel vijftig jaar geleden wandelden ze samen in de Dordogne.
“Hoe was jouw vader eigenlijk?’’ had hij zomaar gevraagd.
“Jouw opa kon geen aardig mens meer zijn,’’ zei z’n vader toen, “Aanvankelijk was hij blij toen hij uit de oorlog terugkwam, maar de oorlog…Ik werd geboren in 1951. Toen ik klein was zag ik hem als een vreemde meneer. Voor vader was ik een verkeerd bezorgde brief. Hij werd in die tijd somberder, stiller. Hij verdwaalde in het leven. Hij wist niet meer waar hij was of tegen wie hij sprak. Toen ik tien jaar was, stierf hij, de man die jou opa is en die je nooit hebt gekend had zich doodgedacht. Hij zat op het laatst de hele dag in een stoel, terwijl mijn moeder werkte. En opeens vond oma hem dood. Ik heb daar allemaal niets van meegekregen. Mijn oma vertelde het mij: “Pappa is dood,” zei ze. “Waarom?” vroeg ik. “Hij had een ziekte in zijn hoofd. Een ongeneeslijke ziekte.’’ Ik heb dat gewoon geaccepteerd. Ik denk het nu nog: hij had een ziekte in zijn hoofd… Waarom niet. Het was kerstmis 1961. Mijn moeder, oma Inge, ging nadien nooit meer naar de kerk en vierde nooit meer kerstfeest. Ook zij werd stiller. Nooit vertelde ze mij wat mijn vader in de oorlog had meegemaakt. Maar ik hoorde veel later iets van een vriendin van oma. Mijn vader had een leraar tegen wie hij opzag. Die leraar heeft allemaal Joden aan de Duitsers verraden. Daaronder waren vaders beste vrienden. Toen wilde mijn vader die leraar neerschieten, maar hij durfde niet. Hij heeft toen ook nog een poging tot zelfmoord gedaan. Dat durfde hij ook niet. Hij was ten slotte verloofd met oma Inge.’’
Vader keek naar de lucht en zei:” Ik vraag me wel eens af of ik op hem lijk. Ik denk het wel. Uiterlijk zeker. Denk ik zoals hij? Dat weet ik niet. Ik ben zeker geen held. Ik zou nooit iemand kunnen vermoorden, maar toen puntje bij paaltje kwam, durfde hij dat ook niet. Was dat goed van hem of juist niet? Mijn vader zat daar mee.
Tijdens onze wandeling door de Dordogne bleef vader aan die vraag denken. Op een gegeven moment vroeg hij aan mij: “Wat vind jij. Had mijn vader die leraar moeten liquideren of juist niet?’’
Opeens wist hij weer waar hij was, maar de gedachten aan zijn vader lieten hem niet los. Ook niet het antwoord dat hij destijds had gegeven: “Je vader had er beter aan gedaan die leraar dood te schieten. Die had al zijn vrienden laten oppakken waardoor ze stierven.’’
Zijn vader had toen z’n hoofd geschud.
“Ik denk er al jaren over na. Die leraar heeft nog lange tijd geleefd. In Spanje. Dat zit mij dwars.’’Recensies op de roman De trip van Ferdinand Hania.
R.L.: (…) Na de middelbare school ben ik je uit het oog verloren. Ik ben later getrouwd met L.V. en ik heb begrepen dat jullie elkaar ook goed kenden. Wij verhuisden naar Londen, daarna naar Bonn en vervolgens naar Madrid. We keerden zes jaar geleden terug. Met enige angst lazen L. en ik je boek, want we weten hoe jij in het leven staat, maar wat hebben wij genoten. Ja, zo was het in 1968. En wat kan je mooi schrijven. Ik heb meteen twee exemplaren gekocht voor mijn kinderen. Misschien kunnen we eens een afspraak maken en (…)’’
R.v.V.: Uw boek heeft me diep ontroerd. Ook mijn ouders zaten in Indië in het kamp en ik herken alles wat u schrijft. Dank u.




Een onverwoestbare (verre) PRO-kennis van me pleegt, als ik hem eens spreek, iedere fascistische kanttekening mijnerzijds over emigratie, stikstof, woke ,,and what you have'' te beantwoorden met een superieure glimlach en de opmerking ,,nee B., dat is niet de discussie''.
Zullen we PN geen Pro gaan noemen? Je hoeft niet mee te gaan in hun waan.