Ach Kraai,
Het vervelendste is dat ik het saaiste leven van Nederland leid.
Na het ontwaken drink ik koffie, wandel ik met de hond, doe ik boodschapjes, eet ik een bammetje, kijk ik hoeveel rouwkaarten er vandaag weer in de bus zitten en schrijf ik een brief, een kort verhaal, een column of werk ik nog wat aan een roman. Af en toe luister ik naar de radio of kijk ik naar een scherm. ’s Avonds schrijf ik eveneens nog wat regeltjes voor de Nobelprijs en kijk ik weer naar een scherm. (Heel, heel af en toe kijk ik televisie. Met scherm bedoel ik dat ik op Twitter (X) kijk, omdat ik aandacht nodig heb, of ik bestudeer een film via Netflix.)
’s Avonds lees ik een boek. Meestal herlees ik iets.
Het vreemde is dat ik zelf weleens denk: wanneer denk ik nou eens na? Ik ben het eigenlijk eens met Karel van het Reve, die zei dat hij nooit nadacht. Hij had opvattingen, maar hoe hij daaraan kwam… Ik probeer het weleens en zeg tegen mezelf: wat vind ik nu eigenlijk van het middenkabinet of van die film Ulysses? Eigenlijk vind ik het middenkabinet een slappe hap en als de aftiteling van de film loopt, heb ik mijn oordeel al klaar. Hoe ik aan die oordelen kom? Geen idee. Denk ik logisch na? Wat heb ik daaraan als ik moet nadenken over het middenkabinet of een film? Hoogstens denk ik na over de formulering van mijn oordeel. Maar eigenlijk zou ik eveneens niet weten hoe ik dat doe.
Ik denk, Karel van het Reve indachtig, dat niemand echt nadenkt. Men vindt iets mooi of lelijk. Dat oordeel kan veranderen als je attent wordt gemaakt op iets wat je nog niet had opgemerkt. Daarom ben ik voor de volstrekte vrijheid van meningsuiting. Het grote nut van die vrijheid is dat je er op ieder moment een andere mening op kunt nahouden. Ik kan onder de indruk zijn van de burgemeester van Amsterdam, mevrouw Halsema. En dat vertel ik dan ook. Maar als er zaken gebeuren waardoor ik een hekel aan haar krijg, dan wil ik dat juist melden. Ik heb dan ook altijd een hekel aan van die vervelende functionarissen die zeggen: “Maar vroeger vond je Zus en Zo en nu vind je Dit. Je bent onbetrouwbaar.”
Het kan best zijn dat men mij om mijn opvattingen onbetrouwbaar vindt. Ik vind juist anderen onbetrouwbaar die al jaren en jaren hetzelfde denken. Hoe kan dat? Situaties veranderen, je hoort andere opvattingen, enzovoort. Hoe kun je dan decennia lang hetzelfde menen? Ik was vroeger voor moslims in onze samenleving. Ik was toen pakweg 23. Mijn goede vader had, toen hij Indisch Recht studeerde, alles over de islam moeten leren en vertelde ons daarover. Maar naarmate ik meer over de islam las en meemaakte, werd ik geen tegenstander van moslims, maar wel van de islam en her islamisme. Ik vind dat nu zelfs de grootste bedreiging in ons land. Heb ik nu een goede afweging gemaakt? Misschien niet, maar dat kan me niets schelen. Ik vind de islam gevaarlijk. De argumenten komen altijd later dan de mening. Ik vind het bijvoorbeeld schandalig hoe er over Israël en de “genocide” wordt gesproken. Het is geen genocide en ik wil best mijn mening daarover aanpassen als ik iets hoor, lees of zie dat in staat is mijn gedachten daarover te veranderen. Het tegendeel is trouwens het geval: steeds sterker raak ik ervan overtuigd dat Israël in Gaza geen genocide heeft gepleegd.
Niemand denkt na. Zelfs niet als men stelt dat wel te doen.
Filosofen denken zeker niet na. Iedere week probeer ik weleens een filosofisch stuk te lezen. Het lukt me gewoon niet. Het is meestal te slecht geschreven. Of de opvattingen van de filosoof zijn niet in staat om mijn meningen te veranderen. Wat een ander denkt, kan me dan ook weinig schelen, tenzij ik er nadeel van ondervind. Daarom begrijp ik die homo’s ook niet die tegelijkertijd islamiet zijn. Maar goed, ze gaan hun gang maar. Ik geloof alleen niet dat die islamitische homo’s ook maar één seconde hebben nagedacht over de islam en homoseksualiteit.
(Ik zit weer op mijn Karel van het Reve-stoel. Die zit wel goed, trouwens.)
Ik weet dat meningen je definiëren en tekenen. (Ik vind tekenen mooier dan definiëren; sommige meningen maken een cartoon van je). Zo besef ik dat ik om verschillende redenen een slechte naam heb. Daar is niets aan te doen. Of eigenlijk: daar is wel iets aan te doen, namelijk de opvattingen overnemen van de mensen die een hekel aan mij hebben. Maar dat lukt me niet. Daar heb je een speciaal karakter voor nodig, dat ik niet bezit en niet wil hebben. Het zou me wel goed uitkomen als ik dacht als de anderen, zeker financieel, maar ik kan dat gewoon niet. Ik weet niet waarom. Opvoeding? Onderwijs? Omgeving?
Ach, Kraai. Mocht de eenzaamheid te groot worden, dan kun je met gemak andere denkbeelden dan die van jou omarmen. De mens heeft een geweldig aanpassingsvermogen. Hij kan zelfs verafgoden wat hij vroeger vervloekte. Dat doen trouwens de meeste lieverds onder ons. Mooi, hè? Ik moet dat toch eens oefenen.
Liefs,
Theodor
Kort verhaal
Eerstejaars
Haar zoon verhuisde voor zijn studie van Amsterdam naar Groningen.
Zij belde haar ex, de vader van haar zoon, en vertelde dat de verhuizing goed was verlopen.
“En ik ga naar Frankrijk verhuizen,’’ zei ze.
Een uur later zat ze met haar ex in het café.
“Heb je een ander?’’ vroeg hij.
“Jij hebt een ander,” zei ze, “al tien jaar. En waarschijnlijk heb je naast die ander nog een ander. En nog één.’’
“Ik ga van die ander scheiden als jij me terug wil.’’
“Ik ben niet meer degeen die jij terug wil. Ik ben de moeder van je kind die gekozen heeft voor zijn opvoeding toen jij ervoor koos met anderen in bed te liggen.’’ Ze pauzeerde even en vroeg: “Waarom wilde je me spreken toen ik zei dat ik naar Frankrijk ging verhuizen?’’
“Dat weet je. Omdat ik van je hou… En ik wil je terug… Waarom ben je gekomen als je mij haat?’’
“Misschien wel omdat ik je juist niet haat. Je bent de vader. Het is nu jouw tijd. Ik ga naar Frankrijk.’’
“Je hebt een ander.’’
“Misschien. Misschien heb ik wel meerdere anderen.’’
“Zo ben je niet!’’
“We zijn gescheiden omdat je me niet kende. Je kent me nog steeds niet.’’
Haar ex bestelde nog een glas rode wijn terwijl zijn eerste glas nog niet leeg was.
“Wat wil je van mij?’’ vroeg hij.
“Dat je enigszins op Frank let. Je zoon. Eerstejaars in Groningen. ik weet niet of hij een sterke persoonlijkheid heeft. Ik weet dat hij drinkt, rookt en liegt.’’
Haar ex wilde een opmerking maken, maar slikte die in.
“Ja, ik weet wat je wil zeggen,’’ zei ze, “ Je wil zeggen: dat is jouw schuld, dan heb je hem verkeerd opgevoed. Dat klopt misschien ook. Maar hij heeft zijn gymnasium gehaald. Wat heb jij daarvoor gedaan? En dat hij rookt en drinkt en liegt kwam me bekend voor…’’
“Ik vind… Ik vind dat je hem geweldig hebt opgevoed,’’ zei hij, “ik geef toe dat ik het misschien heb laten zitten. Ik moest ook m’n weg zoeken.’’
“Ja, in weer een nieuw bed.’’
“Jij gaat ook je weg zoeken in een nieuw bed!’’
Ze keek haar ex minachtend aan.
“Waar slaat deze opmerking op van een man die zegt dat hij nog van me houdt, terwijl hij een ander heeft en wat hij ook al zei tegen iemand anders toen hij mij nog had?’’
Ex dronk zijn tweede wijn op.





Dat wat er zich onder mijn schedeldak afspeelt heb je fantastisch verwoord in de brief aan Kraai. Grote dank daarvoor
Wat zou de wereld mooi zijn als iedereen de eerlijkheid had van Theodor en de wijsheid van Koos.