Ik weet niet goed wat ik met je vraag aanmoet.
Hou ik van Nederland?
Wat is houden van een land precies?
Ik vind het prettig om hier te zijn. Maar Italië bevalt mij ook. En toen ik enige tijd in Parijs verbleef, dacht ik: hier wil ik nooit meer weg. Datzelfde gevoel had ik in New York en in Londen. Toch ben ik altijd teruggekeerd. Vanwege vrouwen, kinderen, zieke ouders, zwangerschappen, miskramen. Het is met landen en steden als met vriendinnen en vrienden. Je houdt van ze zolang het duurt en er niets tussenkomt.
Soms hou ik alleen van de mensen in het land en niet van het land an sich. Ik bedoel: ik vond Russen (en Oekraïners) behoorlijk leuke mensen. Gastvrij en grappig en ik hield van hun weemoedigheid. Maar hun land (waar ik niet veel van heb gezien) inspireerde me niet. Het vreemdste land waar ik ben geweest vond ik uiteraard Amerika. New York: top. Californië: top. Utah: half top. Zo kan ik wel doorgaan. Ik weet nog steeds niet wat ik van Miami moet vinden. En ik was graag naar Washington gegaan. Misschien doe ik dat nog wel eens. En wat vind ik van Amerikanen? Kan er geen oordeel over geven. Heb de leukste mensen ontmoet en de stomste. Wilde ik er wonen? Ik heb over New York getwijfeld. Maar het is geen stad voor onzekere lieden met een minderwaardigheidscomplex en die slordig zijn met geld.
Ken je Karen en Willem S.? Zij wonen in Miami en willen nu (ze zijn 70) remigreren naar Nederland. (Hun ouders waren Indo’s die meenden dat ze na de oorlog niets in Nederland meer te zoeken hadden.) Weet je waarom ze terugwillen? Vanwege de stemming in het land. Ze houden niet van president Trump en denken dat als die straks weg is de situatie er niet beter op wordt. Willem appte: “Het is hier the fall of the roman empire.’’ Wanneer ik, zoals zij, genoeg geld zou hebben, zou me dat niets kunnen schelen. Maar zij menen dat Miami onleefbaar aan het worden is. Miami!! Ze zien junks, ze zien decadente jeugd, ze zien verval. Ze zien buitenlanders. Ze zijn bang. Ze denken dat het hier in Nederland nog 1966 is, al zijn ze vorig jaar terug geweest. Ze willen in Gelderland gaan wonen en zijn al afscheid aan het nemen van Florida. Eigenlijk krijg ik mijn hoofd er niet omheen - om eens een Engelse uitdrukking te vertalen - maar als je de motieven van mensen, al zijn het familieleden, niet begrijpt dan, ach… darüber muss man schweigen.
“Waarom zou jij in Miami willen blijven?’’ vroegen ze mij.
“Nergens bloeit de cultuur zo als tijdens een naderende periode van verval. Waar het verval zich aandient worden mensen beestachtiger. Ze moeten aan geld zien te komen. Kunstenaars moeten dan hun best doen om het publiek te behagen. Een deel gaat de ordinaire kant op, maar een ander deel begrijpt dat er iets anders wordt gevraagd. Ordinariteit kent enkel seksuele dubbelzinnigheid; ware artisticiteit is ambigue op meerdere niveaus. In het verval zie je pas de survival of the fittest,’’ zeker als het kunstenaars betreft.
Ach, Karen en Willem houden helemaal niet van kunst. Ja, van de kunst van het gierigzijn. Daar zijn ze goed in! (Ze wilden nooit de films van Theo van Gogh en mij sponsoren.)
Maar ik meen het: wat had ik graag in het oude Rome gewoond ten tijde van Nero. (Seneca woonde bij hem om de hoek. Je moet dat boek van Seneca over de dood lezen. Je weet dat Nero Seneca dwong zelfmoord te plegen. Die doet dapper maar hij is dat helemaal niet. Hij laat eerst zijn vrouw zelfmoord plegen en pas na lange tijd durft hij zijn eigen polsen door te snijden. Daar zijn mooie plaatjes van, dat hij in een soort emmer staat. Nu ik jou dit vertel denk ik: dat kan ik nooit bij Seneca zelf hebben gelezen… Maar ja, als je wil zoek ik het wel voor je op.)
Onderdrukking en verval zijn goed voor de kunst, maar slecht voor de mens. Daar is niets aan te doen.
In Nederland gaan we hard achteruit. Men weet niet meer wat te denken, omdat er niet alleen te veel informatie is, maar ook omdat men niet meer weet hoe te denken om je eigen omgeving te behagen.
Straks komen Karen en Willem terug. (Dat gedoe van een verhuizing van Amerika naar Nederland en dan nog Nederlander worden etcetera…) En dan? Dan heb je misschien nog tien, vijftien jaar te leven, terwijl je niet meer vooruit gaat, maar achteruit. Remigreren is achteruitrijden naar het land waar je niet meer vooruit kon komen.
Ik geloof ook niet dat ze het echt gaan doen. Ze dromen over Nederland, zoals ik droomde over Parijs, New York en Londen. In die dromen komen nooit bezoeken aan de huisarts voor, of moeilijke gesprekken met medische specialisten, of naar lauwe tomatensoep geurende wachtkamers in ziekenhuizen. Dromen kennen geen angst, daar hebben we nachtmerries voor. Nachtmerries kloppen aan als je dromen zijn ingewilligd.
Ik hoop dat ik hiermee je vraag heb beantwoord.
t.a.t.
Theodor.
Kort verhaal
Non
Hij begreep het niet, maar het kon hem ook niets schelen. Door een toeval – hij ontmoette haar broer in de bibliotheek – was hij erachter gekomen.
“Ze is nu dus non,” zei de broer.
Hij deed alsof het hem niet verwonderde en knikte. Onmiddellijk zag hij de woonboot voor zich waar ze woonde, hoe hij haar kleren uittrok en haar borsten bewonderde, haar tepels in zijn mond nam, en hij herinnerde zich nog precies haar gekreun van verrukking toen hij verder ging.
“Goh, wat leuk,” zei hij.
“Nou leuk, leuk…,” zei de broer. “Ze werkt de hele dag in de tuin en ze bakt brood. En ze bidt… En niemand gelooft van de familie.”
“Een roeping is een roeping.”
Een maand later ging hij naar het klooster, en inderdaad, ze was in de tuin met een snoeischaar.
Hij keek haar aan, voelde het verleden terugkeren en glimlachte.
“Je mag me meteen wegsturen om wat ik nu ga zeggen, maar ik vind je nog steeds mooi.”
“Voor een 75-jarige,” antwoordde zij. Ze snoeide nog wat en draaide zich toen helemaal naar hem toe.
“Ik zie geen habijt,” zei hij.
“Ik draag een kruis, dat is genoeg.”
Ze ging op een bankje zitten, nodigde hem naast haar uit, maar stond meteen weer op om koffie te halen. Toen ze terugkeerde, herkende hij de glazen Ikeakopjes.
“Waarom kom je me eigenlijk opzoeken?” vroeg ze.
“Herinneringen worden niet oud. Ik heb mooie herinneringen aan je.”
Ze knikte traag.
“Jij wilde niet trouwen,” zei ze. “Je wilde leven, je had nog niet genoeg geleefd. Wat bedoelde je daar eigenlijk mee?”
“Dat weet ik niet meer. Ik wilde me niet binden… aan niemand. Had je met me willen trouwen?”
“Misschien wel… Maar ik ben getrouwd geweest. Met Mohammed, een Iranees. Een goede christen. Door hem kwam ik tot het geloof en vond ik mijn roeping. Maar toen was hij al dood.”
“Toen ik niet met je wilde trouwen, maakte je het uit. Daar heb ik veel verdriet van gehad.”
“Ik zal God om vergeving vragen. Ik denk dat ik die wel krijg, want jij was vooral in mij geïnteresseerd om met me naar bed te gaan.”
Ze glimlachten.
Ze besloten in de tuin een kleine wandeling te maken.
“Kun je ondertussen nadenken waarom je me komt bezoeken,” zei ze.
Ze toonde hem de bloemen- en de kruidentuin en trok af en toe een bruin blad van een struik. Ze spraken over hoe zij het besluit had genomen naar een klooster te gaan en over haar huwelijk met Christus.
“Als ik je nu ten huwelijk zou vragen, kun je dan eigenlijk nog van Hem scheiden?”
“Ik kan uittreden, maar elke plant hier in de tuin ken ik beter dan ik jou ken, en wil ik ook beter kennen… En Christus is mij wel trouw, en ik Hem. Als je begrijpt wat ik bedoel. Maar… waarom kwam je me nu opzoeken?”
“We hebben slechte, maar zeker ook mooie tijden meegemaakt. De dood is op weg naar mij en heeft het gros van mijn vrienden en kennissen al meegenomen. Jij behoort tot mijn verleden. Ik had verder eigenlijk geen reden.”
“Ik zal voor je bidden.”
“Ik geloof niet.”
“Dat maakt niet uit, zoals je weet. Hij houdt van ons allemaal. Ik denk trouwens nog weleens aan je moeder. Dat was een lieve vrouw. Opofferingsgezind, ze deed alles voor de familie. Ze zou hier goed gepast hebben.”
Ze liepen nog even door de tuin. Toen vroeg hij: “Ben jij bang voor de dood?”
“Natuurlijk niet.”
Ze wachtte even en zei toen: “Ik ben nu gelukkig en zal tot in de eeuwigheid gelukkig zijn.”
Hij knikte. Het was tijd om te vertrekken.
Ze liepen samen naar het hek. En toen gaf hij haar een kus waar ze van schrok.
“Ik weet dat God je geen kus geeft, daarom doe ik het maar. En ik wil zeggen dat ik je slecht heb behandeld, Willemijn… Daar heb ik spijt van.”
Column van Koos




