De holle lach
Laat de knekels maar rammelen
Ha M.J.,
Dank voor je reactie. Nee, ik vind niet dat je zeurt, maar mag ik nu even klagen?
Dus links heb ik macula. Rechts heeft mijn glasvlies losgelaten. Verder zijn beide van min 7 naar min 8 gegaan.
Tot zover mijn ogen.
Iets lager: het smoelwerk.
Gaten alom. Rechts is een stuk rots gewoon afgebroken. En linksachter heeft de dood een inspectie uitgevoerd en alvast beslag gelegd op een kies.
Dan gaan we naar de achterkant. Nog steeds pijn in nek. Daardoor denk ik: 1) migraine en 2) draaiduizelingen. (Waartegen ik de Epley-manoeuvre moet doen. Dat is vreselijk. Voor wie dat kent: het is of je van de aarde afvalt.)
Gaan we naar de onderrug: al dertig jaar pijn.
Reis nog even mee naar de voorkant: prikkeldarm.
Iets naar onderen: prostaatklachten: vier tot vijf keer pissen ’s nachts.
We hebben nog een paar stations te gaan.
De knieën doen pijn bij het traplopen.
Aan de enkels en de voeten heb ik nog niks, maar ze zijn wel gezwollen, wat wijst op slechte aders.
En tot slot: boezemfibrilaties bij het hart. Daar slik ik zes pillen tegen.
Zo, dit was het.
Maar ik ben blij dat de zon schijnt, want ik ga liever met zon naar de begrafenissen en de crematies van mijn vrienden en vriendinnen dan met regen, wind en mist.
Je weet dat godverdekoleretyphus Gerard ook dood is? Ik kan je zeggen dat het proeflokaal van 1985 nu, op mij na, helemaal leeg is. Theo, Gerard, Frans, Agnes, Marcel, Willem, Hendrik Jan, Haye, Manon, Marloes, Inge en Indra zijn allemaal een ondergronds éénmansbedrijf begonnen als je begrijpt wat ik bedoel. Niet één is er meer dan tachtig geworden… (Ik vraag me opeens af of jonge mensen dit leuk zouden vinden om te lezen. Ik denk het niet.) M., mijn dochter, vindt ook dat ik niet zo naargeestig moet zijn. Zij had met mijn oude uitgever V. gesproken en die meende dat ik mijn humor kwijt was. “Je vader was vroeger zo leuk…’’
Ik weet wel dat ergens, ik denk na een ziekte of zo, mijn gevoel voor de holle lach is gestorven. Ik sloeg welgemutst een hoek om en kwam terecht in een depressie die me gegoten zat als een maatpak.
Maar… Er zijn mensen die “enorm” hebben moeten lachen om “De trip van Ferdinand Hania.’’ (En er zijn er ook die erom hebben moeten huilen. Echt waar.)
Over lachen gesproken: de laatste die ik onlangs heb laten lachen was dus Gerard die in het hospice wijn lag te drinken. Er kwam een hele lieve empathische verpleegster in de kamer en die stelde zich keurig voor: “Hallo, ik ben Froukelien.’’ “ Hallo, ik ben Engel Gabriel en ik kom mijn vriend halen,’’ zei ik. En Gerard lachte zich bijna… (hier stond een onbedoelde woordspeling) een kriek…( Ken je dat, je een kriek lachen? Maar je weet wel wat ik bedoel.) Froukelien moest ook lachen.
En toch vond ik het er verschrikkelijk.
Toen Gerard nog in het ziekenhuis lag, moest ik altijd met de lift naar hem toe. In de liftcabine waren allemaal printjes tegen de muur geplakt: “Woensdag is er weer ballondansen. Opgeven bij Aletta de Jong. ’’ En: “Mevrouw Jolande Breukink geeft donderdag weer stoelyoga.’’ En ook: “ Donderdagmiddag. Liedjes van vroeger, maar ook Beatles en Stones. Boekjes aanwezig.’’
Beatles en Stones… De Tijd kan zo sadistisch zijn.
Onlangs zag ik Oene. Die zat ook op de Cornelis Vrij School, maar in de parallelklas bij meester Unema. Hij vroeg: “En wat heb jij met je leven gedaan?’’ Ik zei dat ik schrijver was geworden. Waarop hij mij aankeek en zei: “O ja? Ik heb nog nooit van je gehoord.’’
“Wat dacht je dan dat ik was?’’ vroeg ik. Hij zei: “Ik dacht dat jij wel advocaat zou zijn geworden.’’ Ik vertelde hem dat je als schrijver eigenlijk een soort advocaat bent aangezien je meestal verschoppelingen en mislukkingen verdedigt: “En ik schrijf hoofdzakelijk over mezelf.’’ Ik vroeg uiteraard ook wat hij deed. “Ik ben na mijn studie geologie bij Shell gaan werken en daar ben ik tien jaar geleden met pensioen gegaan. Ik spoorde olievelden op.’’ Hij had “goed geboerd”. Woonde in Frankrijk, Nederland en Californië en bracht zijn dagen door met tennissen en reizen. “Ach, wat leuk,’’ zei ik steeds. “Ach, wat leuk. Wat leuk. Boffen hoor. Dat heb je goed gedaan.’’ Het ergste vond ik nog dat hij nergens last van had. Nog geen hoofdpijntje. Gezond als een vis. Opeens vroeg hij mij hoe het met S. ging.
“Die is dood,’’ zei ik en ik vertelde hoe zij aan haar einde was gekomen.
En eindelijk zag ik iets van menselijkheid in dat gelooide tennisgezicht van hem.
““Ik heb nog geprobeerd…,’’ begon hij, “maar ik wist haar adres niet… Jij had toch…’’
“Ik had heel kort iets met haar… Niet echt, eigenlijk.’’
En opeens vroeg hij hoe het met jou ging.
Ik vertelde dat je niet meer helemaal goed bij je hoofd was en was opgenomen in een tehuis in Drenthe met mensen die vanaf hun hoofd verlamd waren.
“Nee!’’
“Ja, treurig…,’’ zei ik.
Ik hoop niet dat je het erg vindt, maar ik wil niet dat jullie elkaar zien. Hij moet eerst een boek van me lezen.
Ach, ik lieg ook maar een eind weg. Het maakt niets uit. Iedereen liegt. De waarheid heeft geen waarde meer. Taal betekent niets meer. Niets… heeft meer betekenis… dan welk woord ook. Zonder dat we het weten doen we elkaar pijn. Grote leiders dromen van massaslachtingen omdat ze niks meer voelen en niets meer iets betekent. Leven wordt in deze tijd voor sommigen gezien als een vorm van pech. Dat is een te groot besef voor de mens die per definitie klein is.
Ik groet je. Ik ga Jolande Breukink bellen dat ik mee wil doen met stoelyoga en ik wil ook ballondansen.
Ballondansen…
Liefs,
Theodor
Kort verhaal
Die ene zin
Ze kon niet meer thuis blijven zitten. Eenmaal op straat bekeek ze zichzelf in elke winkelruit. Natuurlijk had ze er lang over gedaan om zich goed aan te kleden, ofschoon ze precies wist wat ze wilde aantrekken. Gisteren had Cindy, de kapster, nog gevraagd: “Waarom wil je er zo mooi uitzien?”
“Ik heb een date.” Ze lachte geheimzinnig.
Natuurlijk had ze geen date. Dat wilde ze ook niet.
Ze was ruim op tijd. Het deed haar deugd dat er mannen waren, jonge mannen zelfs, die naar haar keken. Voor deze dag had ze nieuwe schoenen gekocht en een nieuw, kort jasje.
In haar tasje zat een spiegeltje. Ja, haar lippen waren nog mooi, misschien iets té rood. Zwart was verder haar kleur. Althans, vandaag. “Je moet trots kijken,” zei ze tegen zichzelf. Ze vroeg zich af of men haar verdriet en de woede in haar ogen kon zien. Haar glimlach moest daarom “overwinning” uitdragen.
Toen ze de hoek om was, sloeg de twijfel toe. Waarom deed ze dit? Welke winst kon ze daaruit halen?
“Het is eigenlijk een lichte straf.” Maar die zin, die ze een paar keer voor zichzelf herhaalde, stelde haar niet echt gerust.
“Maar hij heeft mij straf gegeven.”
Hij.
Zijn beeld zat als een gezwel in haar hoofd. Het was onmogelijk niet aan hem te denken. Ze kende zijn huid, zijn geur, zijn gesloten ogen als hij kuste, de wellust in zijn ogen als hij op haar lag.
Ze zag bij het stadhuis wat mensen staan. Er was niemand die zij kende, al meende zij sommige vrienden uit de verhalen te herkennen, en niemand kende haar, wat zij graag anders had gezien. Er was één echte zorg: hij moest haar zien zoals ze nu was. Op haar mooist. Als de briljant die hij had afgewezen.
Daar kwamen de statige auto’s. Weer die twijfel, als een gewicht in haar buik dat aan haar ogen leek te trekken, want het was moeilijk haar tranen te bedwingen. Maar het lukte.
En daar stapte eerst “zij” uit de auto. “Je bent een insect, ik zal bidden dat je snel sterft!” Maar ze schaamde zich onmiddellijk dat ze deze gedachte had.
Ze merkte dat ze iets te gefascineerd was door haar, waardoor ze hem bijna miste.
Maar daar zag ze hem…
Keurig in het pak. Hij droeg de schoenen die ze samen hadden gekocht.
Zag hij haar?
Hun ogen ontmoetten elkaar.
Het gewicht wilde haar verpletteren en ze voelde hoe ze streed.
Hij liet geen enkele emotie merken. Zijn ogen acteerden haar niet te zien.
Zou ze het zeggen? Was ze daar moedig genoeg voor? Zou hij zo dicht langs haar lopen dat zij die ene zin kon zeggen zonder dat de anderen het hoorden? Of moest ze het half schreeuwen? Voor wie zou dat het pijnlijkst zijn?



