Lieve N.,
Hoe oud is je kleindochter?
De mijne is 10, bijna 11.
Tegenwoordig denk ik elke dag dat de wereld ten onder gaat. Ik zie namelijk geen oplossingen. Er zijn nergens persoonlijkheden die daadwerkelijk de leiding kunnen nemen. Er is zelfs geen Hitler of Stalin. Nergens is er een Lenin, een De Gaulle of een Kennedy. Ik zie een leger met allemaal generaal Winkelmannen. (Ik hoop dat je dat nog wat zegt.) En als ik een betrouwbare generaal zie, is hij met emeritaat en loopt hij die verschrikkelijke talkshows af. Ze praten, net als ik, niet over het einde van de wereld, maar alle tekenen wijzen die richting uit.
Wordt het een vuurbal, een overstroming, een vernietigende oorlog, of gaan we dood van de honger? Ik weet het gewoon niet. Ik hoop op die verzengende vuurbal en wil absoluut geen honger. Toen mijn moeder in haar laatste dagen was, wilde men haar laten versterven. Terecht maakten mijn broer en zus daar bezwaar tegen en zeiden: „Onze moeder heeft in het Jappenkamp enorme honger geleden. We willen niet dat ze aan het eind van haar bestaan weer honger moet lijden.” Ik geloof dat ze na een paar dagen aan de morfine is overleden, maar dat heb ik verdrongen, merk ik. Honger lijkt mij het vreselijkste einde.
Theo van Gogh dwong mij – ik heb je dit al eens verteld – te kijken naar filmpjes van IS-strijders die gekidnapte westerse ‘ongelovigen’ op de meest sadistische wijze ombrachten. Meestal werd de keel van de vijand opengesneden, maar hij werd ook wel in brand gestoken. Ik heb destijds ook een film gezien waarin de vijanden in een kooi werden gestopt die langzaam onder water verdween. Alles was mooi in kleur gefilmd, met speciale onderwatercamera’s, zodat je de doodstrijd goed kon waarnemen.
In het begin, vlak na de “Twin Towers”, waren de filmpjes nog zeer amateuristisch. Ik zag een onthoofding waarbij degene die filmde niet goed wist wat hij precies in beeld moest brengen: de onthoofder of het slachtoffer. De onthoofder wilde graag een held zijn en vermoedelijk als zodanig in beeld worden gebracht, terwijl het slachtoffer meer een schaap was van wie ze in één haal de keel doorsneden. Je zag dat bijna niet. De held werd overdadig gefilmd.
Theo en ik wilden toen nog een film maken om deze gezellige slachtpartijen aan de kaak te stellen, maar we zagen er toch maar van af. We wisten niet dat Theo om veel minder door een fanatieke islamist vermoord zou worden. Islamisten hoor ik tegenwoordig wel eens klagen dat zij de tijd van 9/11, Pim Fortuyn en Theo van Gogh als bedreigend hebben ervaren. “Hoe denkt u dat die tijd voor ons was?”, schreef een moslim mij via de krant die ik niet wil noemen.
Ik schreef hem terug dat het zijn eigen keuze was om de islam als godsdienst te hebben; dat ik niet al zijn geloofsgenoten even erg vond, maar desondanks meende dat moslims er een merkwaardig geloof op nahielden dat ernstige bespotting behoefde. De man was razend. Vanaf die tijd heb ik eigenlijk gemerkt dat ik aan het verliezen was, terwijl ik desondanks meende dat de ratio het wel zou winnen.
Wat ik nu zie, is dat je die zogenaamde intellectuele moslims hebt. Ze hebben hun universitaire studie afgerond, maar blijven moslim. Ze hebben ondertussen verantwoordelijke posities bereikt in de pers en de politiek en wenden van daaruit hun invloed aan. Israël is dus de grote vijand, net als Amerika. En ze vinden dat de vrijheid van meningsuiting maar beperkt moet worden.
Ik bespeur bij hen een vorm van hypocrisie die je soms ook aantreft bij sommige katholieken en protestanten. Alles mag, als het maar keurig is. Naakt is mooi, maar het moet wel bedekt zijn. Schelden valt niet onder de vrijheid van meningsuiting, want ja… dat is schelden. Religie aanvallen mag ook niet, want ja… dat is religie. Et cetera, et cetera.
Maar het maakt toch niets uit, want we gaan, zoals Van Gogh zei, “vrolijk op weg naar de afgrond”.
Het is jammer voor onze kleinkinderen. Ik hoop dat het nog gekeerd kan worden. Maar het is ook onze eigen schuld. Je kent mijn theorie: we zijn te decadent geworden. We zijn dikke, varkensachtige monsters die de moraal hebben weggevreten, terwijl ze zich wentelen in de modder van de dagelijkse gebeurtenissen.
Al die IS-strijders die ik zag en die van het moorden één groot ritueel maakten, waardoor het “helden” werden, hadden een grote levenslust en zin in wat ze deden. Haat kleurde hun leven niet alleen vrolijk bloedrood, maar ze hadden - en hebben - de diepe overtuiging dat ze het goede deden, zoals iedereen die doodt. Ze kunnen daar op universitair niveau zeer rationeel over spreken. En daarna snijden ze onze strot af. Ook die van onze kinderen en kleinkinderen. Ze leggen je lijk in de bak van een truck of slepen het achter een motor met zich mee. Dat vinden zij niet decadent. Integendeel. Ze wanen zich in de koestering van hun God. En die God haat ons toevallig ook.
Ik hoop dat je van deze brief bent opgeknapt.
Veel liefs,
Theodor
Kort verhaal
Zwaar
De keramische urn kon 3,5 liter bevatten en kostte 350 euro. Hij wist waarom ze deze urn op voorhand had gekocht. Ze dacht dat hij hem dan op de schoorsteen, of naast hun bed of in de tuin zou bewaren. Als hij de urn zou legen zou hij iets lelijks overhouden met een waarde van 350 euro.
Wat moest hij met de as doen en wat met de urn?
Ze hadden erover gesproken en hij had geknikt en gedacht: “Straks ben je dood en maakt het niet meer uit. En dan doe ik wat ik wil.’’
“En als je mijn urn met as dan bewaart en op een intiem plekje zet, zal ik altijd een beetje bij je zijn,’’ had ze gezegd. Hij hoorde haar pijn tussen de woorden die ze trillerig sprak. Pijn en hopeloosheid.
“En ik wil ook mooie muziek,’’ zei ze.
“Tuurlijk… Wat had je in je hoofd?’’
“Nou natuurlijk… Dolly Parton… And I will always love you… Wat we ook op ons huwelijk… en Hallelujah van Leonard Cohen en dan… wat jij mooi vindt…’’
En nu stond de urn voor hem op tafel en het was alsof hij wachtte op verdriet dat zijn weerzin moest verwaaien. Waarom was hij zo geërgerd? Was dat misschien zijn vorm van verdriet? Nee, het was de familie die het drama, dat al groot genoeg was, groter en groter wilde maken. De familie die hem kwalijk nam dat hij zo koel op de crematie was geweest. Althans, hij hoorde steeds: “Ik begrijp dat je je gevoelens verbergt en tegenhoudt.’’ Maar nu wilden zij weer een bijzondere uitstrooiing.
“Dat wilde ze niet,’’ mailde hij, “ kijk maar.’’ Hij stuurde een filmpje mee waarin ze zei: “We hebben vandaag een urn uitgezocht. En we hebben gekozen voor deze prachtige keramische urn die Peter op de schoorsteen of op zijn nachtkastje wil zetten.’’
“Kunnen we daar niet iets van maken?’’ had zijn schoonzuster gevraagd. “Dat we bijvoorbeeld allemaal komen en dan de urn in ons midden en dan… gaan we zingen.Psalm 103 bijvoorbeeld. Die werd ook gezongen op mama’s uitvaart.’’ Hij moest er niet aan denken, maar had geen kracht zich daar tegen te verzetten. Psalm 103, met daarin de regels: “Vergeet nooit één van Zijn weldadigheden; Vergeet ze niet; 't is God, die z' u bewees.”
Wat was de weldadigheid om haar weg te nemen op 42 jarige leeftijd, na een redelijk mislukt huwelijk van 17 jaar?
Hij nam de urn, die hij zwaarder vond dan hij dacht, deed de as in een plastic tas van de Jumbo en liep daarmee naar buiten. Als het stil was en niemand hem kon zien, nam hij een handje as en strooide dat uit bij een boom. Van Breestraat, Jacob Obrechtstraat, tot bij het Vondelpark. Het laatste beetje strooide hij in de vijver voorzover het niet wegwaaide. Opeens merkte hij dat hij op de terugweg tamelijk welgemoed de melodie van psalm 13 aan het neurieën was.
De column van Koos





Zo ervaar ik het ook. Tragisch, maar treffend geschreven!