Constant verlangen
Oude hoer is troef
Ach lief gebarsten kraaitje,
Je treft me wel op een slecht moment. Ik loop constant door een donkere en vervuilde wolk. Ik kan slecht zien en ben behalve mijn humor mijn analytisch vermogen kwijt.
Ook mijn hersens moeten ergens liggen want ik kan ze niet meer vinden. Toch zal ik proberen je te antwoorden.
Mijn kennis over de liefde is gering, zoals je weet. Maar ik denk dat niemand enige nuttige kennis over dit merkwaardige fenomeen heeft. Door je vragen in je brief heb ik (dus) de laatste dagen veel nagedacht. (Dat hielp overigens niet tegen neerslachtigheid.) Waarschijnlijk dacht je: hij is oud, heeft veel gemaakt en weet er iets van.
Toevallig ben ik de verkeerde persoon voor dit onderwerp.
Toen ik op mijn zestiende verliefd was op S. vroeg ze mij ook, terwijl we luisterden naar The Beatles (“If I fell”): “Wat denk jij dat liefde is?’’ Ik antwoordde toen: “Liefde is gelijk aan verlangen.’’ Was ik werkelijk wijs, of speelde ik wijs te zijn? Gek genoeg denk ik nu nog dat liefde verlangen is, of beter: een staat van constant verlangen. “Bedoel je niet verliefdheid?’’ vroeg S. Ik schudde mijn hoofd: “Nee,’’ zei ik, “ik verlang naar jou en ben verliefd op je. Maar als het tussen ons aan zou zijn, zou ik constant naar je verlangen.’’
Lief hè?
Een korte tijd hadden we wat, maar daarna verliet ze mij. Mijn verlangen bleef. De liefde bleef, kortom. Ach die lieve Sas. Ze is nu dood, maar we hebben jaren later nog een keer samen gegeten. Ze had kanker gehad, maar was toen in remissie. We spraken weer over de liefde. Ze had toen een leuke vriend. Ze vond mijn “Liefde is constant verlangen” maar een mager regeltje. Het was zoveel meer. Ze vond zorg liefde, aandacht liefde, je met z’n tweeën één voelen liefde en vriendschap liefde, “misschien is vriendschap wel meer dan liefde, meer dan wat jij onder liefde verstaat.” Ik zei: “Met je vriend ga je niet naar bed.’’ Ze haalde haar schouders op. “Ach…’’
Ik was op dat moment getrouwd met M. of ik had een verhouding met J., dat weet ik niet meer. Ik wist in die tijd niet wat liefde was. Ik schreef daar ooit een boekje over met de titel: “Ik weet niet meer wat liefde is.’’ Al met al: ik vind het woord te klein voor de grootte van het begrip. Maar zelfs als het een woord zou zijn met alle letters van het alfabet zou het nog te klein zijn, naar te weinig verwijzen en altijd verdriet en geluk in gelijke mate veroorzaken zonder dat we precies weten waarom.
Tegenwoordig weet ik wel wat liefde is en blijf ik bij de stelling die ik had toen ik zestien was: liefde is een staat van constant verlangen. En het verlangen is een macht die steeds groter en sterker is dan je zelf denkt. (Neem me niet kwalijk dat ik hier zo onromantisch over schrijf, maar je stelt me ook van die onhandige vragen. Niet liefde is mijn thema. Geen liefde is dat.)
Soms denk ik dat Verlangen de enige God is waarin ik geloof. Verlangen drijft mij voort en houdt me tegen. Verlangen zorgt tevens voor zorg en vriendschap, voor twee is gelijk aan één, maar het veroorzaakt ook lijden. Krankzinnig lijden! En het is een lijden dat kan leiden tot krankzinnigheid.Verlangen is de diamant van ons gevoelsleven. Het licht komt er via vele facetten in, en gaat er zo ook uit, maar het is net of het in de steen behouden blijft. Verlangen heeft helaas eveneens veel vijanden: de jaloezie, de lafheid en de ouderdom bijvoorbeeld. En de schoonheid. Er is niets wat van schoonheid kan winnen. Schoonheid is een vernietigende kracht. Schoonheid wint het bijvoorbeeld van goedheid. Ik zal je wel een keer vertellen hoe dat precies zit. Daar ben ik toevallig wel specialist in. Ik wil maar zeggen dat als je werkelijk van iemand houdt, als je werkelijk liefde voor iemand voelt, dan kost het je geen moeite offers te brengen. Offers ja. Maar ach, soms weerhoudt je lafheid je ervan om offers te brengen. Dan moet de ander misschien meer offers brengen. Is dat rechtvaardig? Liefde en rechtvaardigheid gaan nooit samen.
Wil je deze brief in godsnaam aan niemand laten lezen? (Ik heb nu koorts, geloof ik.) Het is dat je me die vragen stelde, en ik ben een sentimentalist en momenteel neerslachtig en verdrietig. Er gebeurt te veel in mijn leven wat ik eigenlijk niet aankan. Gek is dat. Jij hebt zielepijn en ik heb ook zielepijn, maar van geheel andere aard. Ik weet niet of de ziel bestaat, maar als hij bestaat heeft hij misschien wel de koorts die ik voel.
Ik ben trouwens bang voor mijn verlangen. Jij ook? Je zou nu kunnen vragen: “Waarom ben je bang voor je verlangen?’’ Ach, er zijn namelijk zoveel zaken waar je naar kan verlangen om de zielepijn te dempen: naar liefde, naar de dood, naar vroeger, naar de toekomst… Alles even eng. De dood misschien nog het minst.
Je ziet, ik ben een slechte raadgever. Als ik jou was zou ik gewoon in die trein van het verlangen stappen. Er kan pas iets gebeuren als je oud en ziek bent, zoals ik. Verlang en breng offers! Geluk komt bij toeval en in kruimels.
Theohond Huilman
Kort verhaal
Wens
Het was op een terras in Perugia. Ze dronken witte wijn en de sfeer was vredig. De zon leek speciaal voor hen even stil te staan voordat hij zou zakken. Hij keek haar aan en toen zij hem in de ogen keek zei hij: “Ik zou het fijn vinden als je, wanneer alles achter de rug is, een nieuwe leuke man zocht.’’
“Waarom moeten we daar nu over praten?’’
“Omdat ik me nu, gek genoeg, goed voel. En ik weet dat het niet lang meer gaat duren.’’
Ze wendde haar hoofd af met een korte ruk alsof ze door iets werd gestoken en zei: “Onzin! Onzin! Ik wil niks. Je bent nog niet dood.’’
“Jij bent nog betrekkelijk jong.’’
Hij glimlachte om haar niet te laten merken dat hij gek werd van jaloezie op de man die er helemaal niet was.
“Er is nog van alles mogelijk…,’’ vervolgde hij, “ik bedoel, ik heb je misschien te weinig liefde kunnen geven, maar jij hebt nog een een eind te gaan. Je bent gezond, knap, de mooiste vrouw die ik ooit heb gezien en… Het lot heeft…’’
“Hou op! Hou op met deze sentimentele onzin!’’
“Het is geen onzin. Het is een wens van mij!’’
“Ik wil dit soort wensen niet horen!’’ De zon besloot onder te gaan om haar woede niet te heet te laten worden.
Hij haalde zijn schouders op. Waarom had hij het ook gezegd? Misschien wel juist omdat hij zo jaloers was. Om als het ware zijn donkerste gedachte - namelijk dat zij gelukkig zou zijn met een ander - te overschreeuwen. Of te bezweren.
Opeens zei ze: “Je zegt het alsof het een geschenk van jou aan mij is… neem maar een ander… maar ik vind dat onaardig van je. Het is geen geschenk. Je schetst nu al de wereld als je dood bent. Daar weet je niets van… Misschien wil ik wel nooit meer een man. Misschien wil ik er wel twintig of elke dag één. Misschien wil ik wel de ene man die ik nooit heb kunnen krijgen, maar nu wel…’’
Alle zinnen die ze uitsprak deden hem pijn, ze waren ook als straf bedoeld, en het was zijn eigen schuld. Wilde hij nog over zijn graf heen regeren? Wat wilde hij van haar horen?
“Laten we geen ruzie maken,’’ zei ze.
“Nee.’’
Ze zwegen. Ze keken naar de mensen op het plein. Een jongetje liep met een voetbal onder zijn arm en kon zich niet beheersen. De bal viel zogenaamd op de grond en hij gaf er een kleine schop tegen. Hij raakte niets.
“Wat ik echt wil… is hier volgend jaar weer zitten,’’ zei ze.
“Dat zou ook mijn liefste wens zijn,’’ zei hij.
“En als dat niet lukt, wil ik hier nooit meer heen,’’ zei ze. 



