Beste G.,
Grappig hè? Jij en ik beoefenen de schrijfkunst volkomen tevergeefs. Ik bedoel: we schrijven, we worden uitgegeven en vervolgens sterven onze boeken. Ze gaan niet echt dood, zoals wij, maar ze kunnen alleen in de verre toekomst ontdekt worden om een voetnoot te worden bij een literatuurgeschiedenis waarop mogelijk iemand gaat promoveren en die niemand wil lezen.
En in het lemma ‘Holman, Th. C.’ van zes regels staan dan vier fouten en meer dan de helft van mijn boeken wordt in de “bibliografie” niet genoemd. In de Bibliotheek der Vergetelheid lig ik straks ergens op een plank. Niet erg, want ik ben dan al ‘in m’n houten pak genaaid’. (Ik geloof dat deze van Jules Deelder was.)
Het enige wat ertoe doet, is dat ik wat mensen hier en nu vermaak of ontroer. Meer hoeft niet. Meer kan niet. Meer zal niet.
Ook ik ken nu mensen die met AI een boek maken. Ik heb daar al eens over gezegd dat ik het vak van schrijver heb gekozen omdat ik het prettig vind te formuleren. Ik heb geen zin in het bedenken van prompts. Maar ik denk dat het vak van schrijver gaat veranderen en dat ik dat niet kan tegenhouden. Zoals ik ook rappen niet heb kunnen tegenhouden. Zoals ik ook asielzoekers niet heb kunnen tegenhouden. Zoals ik ook de roem niet heb kunnen tegenhouden van tal van collega’s van wie ik momenteel niet meer weet waarom ik ze haatte en of ze nog roem bezitten.
Ik hoorde vanmorgen iemand spreken over Matthijs van Nieuwkerk. Mag hij nog in roem gekleed gaan of is hij roemrucht? En hoe is het als je enorme roem had die nu vergaan is of aan het vergaan is? Waarom, waarom, waarom in godsnaam vond ik roem vroeger belangrijk? Ik bestudeerde mensen met roem weleens en dacht: er zijn twee manieren om roem te bemachtigen: door consequent taboes te overschrijden of door te slijmen met de middelmoot. En talent dan? Ach, talent. Je hebt maar een beetje nodig. Veel talent wordt je toegedacht door de middelmoot, gemiddeld talent heeft iedereen wel en geen talent hebben de meesten. Talent maakt eigenlijk niets uit. Wat ik heb gemerkt, is dat talent eigenlijk synoniem is met wil. Wie wil schrijven, kan na verloop van tijd schrijven. Wie wil tekenen, kan mettertijd tekenen. Wie gitaar wil spelen, zal op den duur de solo’s van Eric Clapton kunnen verbeteren. Ik had vroeger een leraar en die zei: “Als kunst met wil te maken had, had het wel wunst geheten. Maar het heet kunst van kunde.” Ik zei hem dat na, maar ik denk daar nu anders over. Je hebt iets te zeggen, je bent van iets zwanger, en dus zoek je, werk je, probeer je te zoeken, oefen je hoe je moet bevallen.
Ik schrijf je dit omdat ik weer eens een roman wil schrijven. Ik denk aan 50.000 woorden. Het vervelende is dat ik niet weet waarover. Komt wel. En zal ik je eens wat vertellen? Dat boek wordt dan heel goed besproken. Ik krijg dan allerlei prijzen, ik word dan beroemd, mensen zullen naar me opkijken en me om raad vragen, ik zal rijk worden en dan kan ik goed werk doen. Mijn ouders verschijnen dan even aan de hemel. Mijn moeder zegt dan: “Wat heb je dat mooi geschreven.” En mijn vader… mijn vader zal zeggen: “Verbeeld je maar niks. Je bent echt geen Carmiggelt.’’ Toch vind ik dat dan lief van hem. (Wie leest Carmiggelt nog, behalve ik, vraag ik me wel eens af.)
Lees mijn korte verhalen. Al mijn korte verhalen vormen eigenlijk ook een verhaal, als in een roman.
Groet,
Theodor
Kort verhaal
Dronken
Na het telefoontje van zijn moeder was hij meteen naar z’n zoon gegaan.
Hij trof hem in bed in z’n kamer aan. Doodziek. Kater. Hij lag op zijn buik en wilde zijn vader niet aankijken.
“Ik ben boos, maar ik ben niet kwaad. Ik vind alleen dat je op je veertiende niet zoveel moet drinken… Hoeveel heb je eigenlijk gedronken?’’
De jongen klemde duidelijk zijn kaken op elkaar.
“En waarom?’’ vroeg hij, terwijl hij wist dat dat z’n zoon zou zwijgen.
“Ga maar slapen,’’ zei hij.
Hij liet de jongen alleen, wilde weer naar huis, maar voelde wel aan dat hij even met zijn ex moest praten. Hij deed de deur naar de voorkamer open en zag zijn ex en, voor het eerst, haar nieuwe vriend.
Jaloezie en verdriet, gevoelens waar hij niet van af kwam, maakten hem nerveus. Het was alsof hij zich er plotseling bewust werd dat hij nog meer van haar hield dan hij vermoedde.
Maar zij hield niet meer van hem.
“Weet jij waarom hij drinkt?’’ vroeg ze. Even keek hij naar de nieuwe verloofde, maar die wilde duidelijk niets met dit gesprek te maken hebben en verdiepte zich in een blad over auto’s. Verstandig.
“De scheiding zal hem… misschien… Ik weet het niet.’’
Zijn ex leek even kwaad te worden, maar hield zich ook in.
“Ik vond juist dat hij goed reageerde op de scheiding,’’ zei ze, “en het is al zo lang geleden.’’
“Misschien is er geen reden,’’ zei hij.
“Moeten we met hem naar de dokter? Hij is veertien. Hij drinkt vaker…’’
Hij keek naar de grond en hoorde de deur van de kamer van zijn zoon opengaan. De jongen ging naar de w.c. en kotste weer zijn maag leeg. Z’n moeder ging naar hem toe. En daar zat hij met de nieuwe verloofde die zijn plaats had ingenomen en die hij haatte en wilde straffen. Sinds de verhouding met zijn ex was afgelopen, begreep hij een crime passionel steeds beter.
“Misschien is hij verliefd,’’ zei de domoor.
“Zou kunnen,’’ antwoordde hij.
Toen zijn zoon niet ophield met kotsen, ging hij even kijken.
Opeens waren ze met z’n drieën in de wc: zijn ex, zijn zoon en hij. Zijn zoon hing over de pot, zijn moeder had hem omarmd en hij aaide over het zweterige haar van de jongen. Zijn zoon pakte opeens zijn hand.
Plotseling was het stil. Zijn zoon hield zijn hand niet los, en hield ook de hand van zijn moeder vast.
“Gaat het?’’ vroeg z’n moeder.
De zoon knikte nauwelijks.
“Wil je weer terug naar bed?’’
Hij schudde even zijn hoofd. Toch maakte zijn moeder aanstalten om hem weer naar z’n kamer te brengen. Ze leek hem op te tillen, maar hij gaf niet mee. Vader en zoon keken elkaar even aan.
De zoon liet de hand van zijn vader los.





De liefde van een hond is onvoorwaardelijk. Hond = liefde = hond
Theo , bij elke column die ,en kort verhaaltje ,wat jij schrijft krijg ik een brok ik m’n keel , word ik weekhartiger?