Aanstellerij als levenshouding
Wreed kan wreder
Hallo Smeerpijpje,
Ga jij nu ook al beweren dat ik eigenlijk geen mensen haat?
Ik zeg dat niet om stoer te doen, of om mij een artistiek imago aan te meten, of om me in te dekken als ik slordig omga met vrienden en bekenden. Nee, ik meen het! Dat neemt niet weg dat ik beleefd ben. Ik heb niet alleen geleerd met twee woorden te spreken, ik heb ook geleerd me naar twee woorden te gedragen. Die twee woorden zijn: wees bescheiden. Of: wees onopvallend. Of: doe gewoon. Of: doe rustig. Dat is de gebiedende wijs van de hoffelijkheid en tevens de sleutel tot beschaving en een teken van een goede opvoeding. Het klopt dat ik daar niet altijd aan kan voldoen, want natuurlijk wil ik een opvallend schrijver zijn. Maar in het algemeen heb ik een hekel aan aanstellerij en dus een afschuw van de wezens die men mens noemt. Is dat duidelijk? Ja, mijnheer Lulman. WAT ZEI JE DAAR? Ja, mijnheer Hol…man…
Is het echt waar dat je geen kranten leest en geen tv kijkt en alleen de hele dag door slagroomtaartjes eet en in je vrije tijd naar een tropisch aquarium zonder vissen kijkt? Mocht je per ongeluk de deur uit moeten, dan moet je erop bedacht zijn dat het heel warm kan zijn, want de wereld staat in brand. Het islamofascisme rukt op, dus neemt het antisemitisme toe; als ik jong en Joods was, dan dacht ik niet na en zou ik Nederland verlaten. Maar wat je deugd zal doen, is dat men net zo Amerika haat als vijfenvijftig jaar geleden, toen wij op het Museumplein “Johnson molenaar” riepen. Later heb ik deel 1 gelezen van The Path to Power van Robert A. Caro, over Johnson. Deel 2 ga ik binnenkort lezen en deel 3 komt eraan. Blijkt Johnson een van de beste Amerikaanse presidenten te zijn geweest. Maar wat wist ik toen ik vijftien was? Ik ben pas sinds drieënhalve maand geen modieuze meeloper meer. Met de mode meedoen is de veiligste weg als je voor vrouw, kind en een hypotheek moet zorgen; zelf mode zijn is door een toeval door zogenaamde kenners veroordeeld worden tot een tijdelijk succes, waarna constant zelfmoord dreigt.
Het enige aangename van werkelijk succes is de invloed die je kunt hebben. Succes geeft macht. En macht werkt, zoals we weten, verslavend. (En erotiseert, wat ook niet onbelangrijk is.) Maar wat ga je met die invloed doen, behalve het huwelijk van je buurvrouw en haar dochter kapotmaken? Omdat sommige van die succesvollen weten dat ze hun succes te danken hebben aan mazzel en maar een paar gram vermogen, storten ze zich in het doen van goede werken. Uiteraard is het goed dat ze goede werken doen, al zijn het wel schaamlappen voor de schuld die ze voelen omdat ze diep van binnen wel weten dat hun succes niet voortkomt uit kunde.
Waar hadden we het ook alweer over?
O ja, de wereld staat in de fik en de brandweerslang spuit elf. Het schijnt dat we dus niet cynisch mogen worden. Dat we dus hoop moeten koesteren. Dat we dus ons wat humaner moeten opstellen. DUS, DUS, DUS! “Dus” is veel te vaak de conclusie van een morele oneffenheid. Dus moeten we dit, dus moeten we dat. Dus moeten we, zegt Poetin, een miljoen van mijn eigen mensen de dood insturen. Dus moeten we schieten op onze eigen demonstranten, verordonneren de ayatollahs. De hooggeachte, doorluchtige Dus wil zijn zin krijgen en daarom is Dus nogal een vervelend wezentje. Dus dat je dat weet. Lelijk woord ook: dus. Een mug die de hele tijd in je zinnen komt zoemen.
Had ik je al verteld dat ik nogal wat vrienden heb verloren omdat ik tamelijk luidruchtig verkondigd heb dat ik met mijn hele hart achter Israël sta? Sindsdien krijg ik van mijn tot oppervlakkige kennissen gereduceerde vrienden met enige regelmaat mails waarin nu eens Netanyahu (“genocide”), dan weer Trump (“extreemrechtse antidemocraat”) vergeleken wordt met Hitler. Subtekst: je staat aan de verkeerde kant van de geschiedenis, Hollevat. Dat zou best kunnen, en als dat zo blijkt te zijn – want wanneer bepaal je zoiets eigenlijk? – dan vind ik dat vooral vervelend voor mijn familie. “Ja, inderdaad, opa was geen fascist, maar hij stond wel achter Israël en hij vond dat Trump hele goede dingen deed.”
Alles draait om de geweldsvraag – zo zie ik het. Wanneer mag je geweld gebruiken en wanneer niet? Een samenleving zonder geweld bestaat niet. Je zult zeker moeten proberen om het recht van de sterkste te reguleren, maar dat houdt op een bepaald moment op. Niets aan te doen.
Zo denkt Theodor Holman erover, en hij laat u tevens de groeten doen vanuit de Kunstgevangenis te Den Haag, waar het Internationale Strafhof van Artistieke Intellectuelen hem zojuist heeft veroordeeld tot uitsluiting van een creatief bestaan, plus enkele jaren nutteloos schrijfwerk. Ach ja. Ik ben te oud om te werken aan mijn verlammende minderwaardigheidscomplex en het kan best zijn dat ik tot mijn standpunten kom omdat mijn geest zichzelf overschreeuwt, maar “hier sta ik… ik kan niet anders,” zei Luther, die hier ook ergens in de gevangenis zit.
Ik ga straks lekker eten maken. Ik vind het leuk om voedsel te bereiden zoals ik schrijf – het mislukt vaak, maar desondanks vind ik het een aangename bezigheid. Eten geeft het leven zin, het is een vergeten muze. Wie niet eet, heeft al snel geen leven. (Is hij te flauw? Gewoon overheen lezen.)
Ik ga daarna met bord op schoot heerlijk kijken op CNN hoe de wereld wordt weggebombardeerd.
Ik moest trouwens daarnet denken aan onze gezamenlijke vriend Willem. Hij reed een jonge gast dood en dat was niet zijn schuld. Het veranderde zijn leven en hij kreeg zijn schuldgevoel dat zich ontwikkelde als een tumor niet weggesneden. Hij pleegde zelfmoord, weet je nog. “Onnodig,” zeiden wij op zijn crematie, nu alweer dertig jaar geleden.
Ik denk nog wel eens aan hem en dan verschijnt Poetin in mijn gedachten. Meer dan een miljoen doden heeft hij op zijn geweten. Hoe zet je die weg? Hoe ruimt die geest dat op? Want al zijn die jongens dood, hun demonen en hun erfgenamen kom je niet makkelijk af. Stel dat ik minister-president van Nederland zou zijn en ik zou de beslissing moeten nemen om jonge jongens en meisjes naar het front te sturen, zou ik dan ontslag nemen? Is dat laf? Of getuigt dat van moed? Wat heb je aan een medaille of een lintje van de koning of de president als er elke dag aan je geweten wordt geknaagd door de doden die vragen of je bij ze komt spelen?
En jij maar denken dat ik de wereld niet haat!
Groeten,
Theodor.
literaire verhalen
Helga en Yvonne
Helga durfde niet naar binnen.
Een mooie jonge dokter keek haar iets te lang aan, wat ze wel complimenteus vond, maar toch sloeg ze met een zogenaamd geïrriteerde blik haar ogen neer. Kon ze hem maar het een en ander uitleggen.
Ze moest even de goede verdieping en de lift zoeken.
Vlak nadat de liftdeuren zich hadden geopend, wilde ze niet meer.
“Hoe erg is het als ik nu naar huis ga, haar bel en zeg dat ik niet kon komen en morgen kom?”
Ze schaamde zich voor deze gedachte.
De lift naderde weer. Er waren mensen achter en naast haar komen staan en dus moest ze wel instappen.
Ze wist meteen, ofschoon ze elkaar nooit hadden ontmoet, dat ze naast de moeder stond. Moest ze wat zeggen? Maar wat? De vrouw, die ergens in de vijftig was, keek neutraal, streng zelfs. Was dit niet een goede mogelijkheid om niet naar haar vriendin te gaan? Moesten moeder en dochter niet met elkaar praten?
Op de vierde verdieping stapte ze uit. De moeder ook. Ze moest nu wel wat zeggen.
“Dag mevrouw De Boer… Ik ben Helga, vriendin van Yvonne.”
“O ja… Helga… Je bent toch wel eens bij ons thuis geweest?”
“Ja, ik denk het wel,” loog ze.
Samen liepen ze door de gang. Toen zei de moeder: “Hij zal in onze familie heel welkom zijn.”
“Ja ja… natuurlijk…” reageerde Helga.
“Ik ben het gewend,” zei de moeder, die wel meer wilde vertellen, maar ze werden gegroet door twee verpleegsters die breed lachten.
Zwijgend liepen ze vervolgens de kamer binnen. Eerst de moeder, daarna zij. Haar vriendin zag haar het eerst.
“Helga… wat lief… wat lief,” zei Yvonne.
De vriendinnen kusten elkaar en Yvonne, die er behoorlijk vermoeid uitzag, begon onmiddellijk te huilen.
Helga wist niet wat ze moest zeggen. Ze nam enige afstand en zag in een ooghoek dat de moeder stil het kindje bestudeerde.
Het was of Yvonne niet op haar moeder lette en zelfs de indruk wekte dat ze het niet leuk vond dat die was gekomen.
Yvonne pakte haar hand en Helga merkte dat ze daarin kneep. Yvonne leek iets te willen zeggen en Helga boog zich naar haar toe.
“Wat moet ik nou… ik ben ongelukkig,” werd er in haar oor gefluisterd. Ze besloot te reageren door haar vriendin stevig vast te houden en uiteindelijk zei ze: “Je zal wel moe zijn.”
De moeder ging toen naar haar dochter en het viel Helga op dat er niet werd gekust of gefeliciteerd.
“Waar is pappa?” hoorde ze Yvonne zeggen.
Ondertussen probeerde Helga in het wiegje van dik, bijna ondoorzichtig plastic te kijken, waar het kindje aan verschillende infusen en slangen lag die onder wit verband verborgen leken.De column van Koos
De trip van Ferdinand Hania - door Theodor Holman
Reacties:
Deze reacties maken mij verlegen en trots.






Echt goed. Zo mooi verwoord
Picture this: ik lig op deze zondagmorgen in een warm bad jouw mooie column te lezen. Een beter begin van de zondag kan ik me niet wensen!